Niet de jihadisten, wij zijn het probleem

Als je, zoals Bart Eeckhout schreef, de aangrijpende verhalen leest van machteloze Vlaamse ouders die van de ene dag op de andere hun zoon zien vertrekken naar de ‘Heilige Oorlog’ in Syrië, dan krijg je het beeld van enkele extreme uitzonderingen. Koert Debeuf reageert. Debeuf is vertegenwoordiger van de Europese liberalen in de Arabische wereld.

  • “Wat mij het meeste stoort, is niet dat ik die jihadisten in Syrië zie binnengaan. Het ergste is dat ik niemand anders de grens zie oversteken. Geen hulpverleners, geen dokters”

Enkele dagen terug belde een erg ongeruste Belgische moeder me op. Of ik contact zou kunnen opnemen met Jabhat Al Nusra, de jihadisten in Syrië. Haar zoon had hen anderhalve maand geleden vervoegd in hun strijd en sindsdien had ze niets meer van hem gehoord. Ik moest haar helaas ontgoochelen; ik heb geen contacten bij de jihadisten die ik steeds tracht te vermijden als ik in Syrië ben.

Ik hoorde de ontreddering in haar stem. En ook schaamte. Haar zoon zou waarschijnlijk sneuvelen in een strijd die zij, om het zacht te zeggen, niet ondersteunde en evenmin begreep. Het is een schaamte die ik, vreemd genoeg, goed begreep. Ik moest namelijk onvermijdelijk denken aan die ene oom over wie in onze familie ook nauwelijks gepraat werd. Hij sneuvelde aan het oostfront. Hij was gaan vechten met nazi-Duitsland tegen de communisten. Hij geloofde dat hij moest kiezen tussen Rome en Moskou, tussen God en de duivel. En dat die strijd zijn leven waard was.

Telkens ik naar Syrië reisde de afgelopen maand, zag ik de jihadisten. Ze zitten op hetzelfde vliegtuig, dezelfde bus en gaan op dezelfde illegale manier als ik Noord-Syrië binnen. Wat me telkens opvalt, en ook schrik aanjaagt, is de zelfverzekerdheid in hun ogen. Alsof ze zich er allang op voorhand hebben bij neergelegd dat ze in Syrië zullen sterven en daar bovendien ook fier op zijn. Ze weten dat ze naar de frontlinie gaan en dat ze daarvoor door sommigen bewonderd worden. En voor de meesten van hen is het net dat wat ze in heel hun leven misten, bewondering, richting, heroïek.

Wat mij het meeste stoort, is niet dat ik die jihadisten in Syrië zie binnengaan. Ik kan ze toch niet tegenhouden. Het ergste is dat ik behalve jihadisten niemand anders de grens zie oversteken. Geen hulpverleners, geen dokters, geen vrachtwagens met ondersteuning voor die veel grotere groep van rebellen die helemaal niets moeten weten van dit jihadistische verhaal. Terwijl de vrienden van Al Qaida wapens hebben en geld om uit te delen aan hun soldaten en de bevolking, sterven mensen in vluchtelingenkampen georganiseerd door het Vrije Syrische Leger (FSA) van de honger.

 

  • We zijn in het Westen dermate gebiologeerd door die relatief kleine groep van extremisten dat we elk perspectief verliezen. Uit schrik voor het spook van Afganistan, besluiten we dan maar om niets te doen. Want wie niets doet, kan ook niets verkeerds doen. Net dit is de grote denkfout die we vandaag met zijn allen maken. Want door niets te doen, maakt het Westen net Assad én de jihadisten sterker. Terwijl we diegenen die wel onze waarden delen, gewoon in de kou laten staan.

 

Het grote argument is dan dat we evenmin weten wat die FSA nu eigenlijk is en wat zij willen. Als we het niet weten, dan is dat eenvoudig weg omdat we geen moeite doen om het te willen weten. Ik had enkele dagen geleden een diner met de stafchef van de FSA, Salim Idriss, en de bevelhebbers van vier van de vijf fronten. In Turkije. Wie naar Antakya (Antiochië) gaat, kan er elke generaal zien die hij of zij maar wil. Dan kun je uit eerste hand horen dat zij wel vrijheid en democratie willen, dat ze er alles aan doen om de mensenrechten te respecteren, de minderheden te beschermen en de vluchtelingen te helpen. Maar ook dat ze te weinig middelen hebben om dat naar behoren te doen.

Wie moeite doet, kan erg gemakkelijk naar de vluchtelingenkampen in Syrië gaan om er zelf te zien hoe dramatisch en onmenselijk de situatie is. Hoe kinderen soms dagen geen eten hebben en weken geen melk. Hoe ze sterven aan wonden van granaatscherven wegens gebrek aan medische verzorging. Omdat wij al onze hulp aan Syrië via Assad laten verdelen en er daarom in rebellengebied zo goed als niets aankomt. En wie een klein beetje moeite doet, kan zien dat het het leger van Assad is en niemand anders dat permanent de Syrische bevolking bombardeert en terroriseert.

Maar blijkbaar is dat te veel moeite en doen we liever niets ‘omdat we toch niet weten wat er na Assad komt’. Het is hetzelfde alsof de Verenigde Staten en Groot-Brittannië uit schrik voor de communisten niets zouden gedaan hebben in de Tweede Wereldoorlog omdat ze ook niet goed wisten ‘wat er na Hitler zou komen’.

Moeten we verwonderd zijn dat zij die wel een beter Syrië voor ogen hebben, meer en meer kwaad worden op het inerte Westen? Zij moeten met lede ogen aanzien hoe wel jihadisten uit het Westen naar Syrië komen – hoe klein en onbelangrijk dat aantal ook is – maar dat de seculiere krachten en de lijdende bevolking aan hun lot worden overgelaten.

Het is gerechtvaardigd om geschokt te zijn dat enkele van ‘onze jongens’ in het verre en onbekende Syrië gaan vechten voor de totstandkoming van een islamitische staat. Maar we zullen dat probleem niet oplossen door weeral eens aan ‘zelfonderzoek’ te doen. We moeten de problemen aanpakken in Syrië zelf. En dat is niet eens zo moeilijk. We moeten gewoon wat moeite doen.

(Source / 30.03.2013)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *