Hoe kijkt de islam naar andere religies?

De definitie die de koran van een gelovige (Mu’min) geeft, is breder dan de algemene verwachting dat ‘een gelovige iemand is die in de islam gelooft.’ In feite is het zo dat iemand de islam als een manier van leven kan aannemen en beoefenen (de definitie van een moslim), maar niet in de islam gelooft. Mu’min wordt in brede zin gedefinieerd als iemand die in de Ene en Enige God gelooft, in engelen, alle openbaringen, profeten en de wederopstanding. De koran zegt: “Zij zijn niet allemaal gelijk: van de Mensen van het Boek (Joden en Christenen) zijn er die (voor het goede) staan: zij reciteren de Tekenen van God de hele nacht en werpen zich in aanbidding ter aarde. Zij geloven in God en de Laatste Dag; zij gebieden het goede en verbieden het kwade; en zij haasten zich (vol ijver) tot (alle) goede werken; zij behoren tot de( rang der) rechtschapene. Van het goede dat zij doen, zal niets van hen geweigerd worden; want God kent degenen die goed doen het best.” (3:113-115)

Echte, zoals hierboven beschreven, gelovigen kunnen dus overal gevonden worden, ongeacht de naam waarmee de persoon wordt aangesproken. Moslims geloven dat de islam geen nieuwe of unieke boodschap is, maar de meest volledige ‘update’ van dezelfde universele en tijdloze boodschap van God die aan eerdere profeten en volkeren is gezonden (2:132). Daaruit volgend, de ene boodschap die God de mensheid wilde geven.

Moslims noemen Joden en Christenen de mensen van het Boek, dat wil zeggen, mensen die door middel van respectievelijk, Mozes en Jezus ook een boek van God ontvangen hebben. De islam verbiedt elk geloof en elke religie waarin meer dan één God aanbeden wordt en elke vorm die geen God accepteert of aanbidt. Op het gebied van zedelijkheid, zuiverheid en persoonlijke ontwikkeling, zijn er een aantal overeenkomsten tussen de islam en alle grote wereldreligies.

Hoe moslims zich tegenover mensen met een ander geloof dienen te gedragen, wordt goed samengevat in het vers: “En beledigt degenen die zij naast God aanbidden niet, opdat zij God niet zonder kennis onrechtvaardig zullen beledigen. Aldus hebben Wij voor ieder volk hun eigen gewoonten redelijk-lijkend gemaakt; tot hun Heer zullen zij uiteindelijk terugkeren en Hij zal hen vervolgens informeren over wat zij gewoon waren te doen.” (6:108). Niet allen zet dit vers niet tot haat of gewelddadige acties aan, het verbiedt moslims mensen met een ander geloof door middel van beledigende opmerkingen te kwetsen.

Over de hele wereld zijn er vele interreligieuze activiteiten geweest en vinden die nog steeds plaats, vooral met Christenen. Deze betrekkingen reiken ook uit naar Boeddhisten, Hindoes en Joden. Dergelijke initiatieven zullen zich in de toekomst tot tastbare projecten ontwikkelen en de vruchten dragen van wederzijds begrip en acceptatie.

(www.vraagislam.nl / 11.04.2012)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *