De islam preuts? Echt niet

De Duitse arabist Thomas Bauer wil graag een wijdverbreid misverstand uit de wereld helpen. Volgens hem is de preutse en verkrampte omgang met seks in islamitische landen een westers importproduct. Met de oude islam heeft het niets te maken. De islam wordt altijd weer neergezet als tegenbeeld van het Westen. Het Westen, zo wordt beweerd, is tolerant, verlicht en democratisch, de islam ontbreekt het juist aan verlichting, hij kent de scheiding tussen kerk en staat niet, is totalitair, intolerant, preuts en homofoob.

Maar pas op voor de val van het culturalisme! Culturalisten geloven dat culturen makkelijk van elkaar af te grenzen zijn, waarbij elke cultuur een bepaalde ‘kern’ heeft, die ook in de loop van de tijd nauwelijks verandert. Voor de culturalisten telt religie meestal als de belangrijkste cultuurbepalende factor.

Maar juist met de islam als voorbeeld valt aan te tonen dat culturen niet in apartje hokjes weg te zetten zijn, hokjes die los van elkaar bestaan. Veel wat wij vandaag de dag karakteristiek vinden voor de islam zou zonder westerse invloed ondenkbaar zijn geweest. De veelgeciteerde slogan die de islam als ‘Din wa-Daula’, dus als ‘Religie en Staat’ typeert, is pas in de negentiende eeuw opgekomen, toen de islamitische landen een ideologie wilden oprichten die tegenwicht kon bieden aan de sterke westerse ideologieën van die tijd.

Überhaupt komt de gepolitiseerde islam van vandaag de dag voort uit een geesteshouding die niet te herleiden valt uit traditionele islamitische geschriften. Bij zijn ontwikkeling stonden westerse voorbeelden model. Voor Said Qutb (1906-1966) – de ideoloog van de Egyptische Moslimbroederschap, ‘grondlegger’ van het islamisme in de Arabische wereld en inspirator van Osama bin Laden – was bijvoorbeeld de Franse arts Alexis Carrel belangrijker dan willekeurig welke een klassieke islamitische theoloog. Carrel deed pogingen om katholiek fundamentalisme en biologisme tot een nieuwe ideologie te versmelten. Vandaag de dag is zijn belangrijkste werk ‘De onbekende mens’ (1935) in het Westen – geheel terecht – vergeten. Maar waar zijn ideeën in het islamisme verder leven worden ze nu juist als typisch islamitisch gezien. Want geen auteur die Qutb zo vaak citeert als Carrel; zijn veroordeling van de moderniteit als ‘barbarij’ bijvoorbeeld met de benaming djahiliya, oorspronkelijk een begrip om de voor-islamitische ‘tijd van de onwetenheid’ mee aan te duiden. En het verlangen van Carell naar een allesomvattend, op religie gebaseerd systeem waar maatschappij, wetenschap en cultuur in op zouden kunnen gaan stond model voor de ‘islamitische methode’ van Qutb.

Er zijn nog ettelijke voorbeelden voor deze ‘asynchroniteit’, een ongelijktijdigheid waarbij een cultuur geleidelijk de waarden en voorstellingen van een andere cultuur overneemt, maar dit proces komt tot stilstand als de waarden in de broncultuur alweer achterhaald zijn. Vooral de morele opvattingen die in de hedendaagse islamitische samenlevingen heersen zijn in geen geval zo islamitisch als veel mensen denken.

De islam staat in het Westen te boek als ‘middeleeuws’ en preuts; moslims hebben, zo heet het, een seksuele revolutie naar westers voorbeeld nodig. Maar wie een blik op de geschiedenis werpt ziet een andere, totaal niet-middeleeuwse islam. Al in de negende eeuw vervaardigden Arabische artsen handleidingen op het gebied van seksualiteit. Daarmee zetten ze een antieke traditie voort, die pas door de opkomst van het christendom was doorbroken. Eeuwenlang ontwikkelden zich zo allerlei Arabische richtlijnen rond lichamelijkheid en hygiëne, die zakelijk en zonder moralisme de thema’s liefde en seks behandelden. Pas toen zulke teksten in de negentiende eeuw in het Westen werden opgemerkt (de Franse schrijver Guy de Maupassant was een van de pioniers), werden ze als pornografisch afgeserveerd.

Dit ernstige misverstand is alleen te verklaren wanneer je bedenkt dat het christelijke Europa sinds het einde van de heidense antieke tijd niet meer over teksten beschikte waarin ongedwongen omgang met seks werd gekoesterd zoals dat in Arabische boeken wel voorkwam.

Zo absurd als het klinkt: door zulke werken (en hun receptie in Europa) gaf de islamitische wereld een vroege aanzet tot de seksuele bevrijding van het Westen. Maar toen deze ontwikkeling in Europa ten einde was gekomen, waaide de wind in de islamitische wereld allang een andere kant op – ze waren daar bijvoorbeeld net bezig om de preutsheid van het victoriaanse Westen na te bootsen. En vandaag de dag is het wederom het Westen dat de seksuele revolutie in de islamitische wereld opeist.

Een vergelijkbare ontwikkeling doet zich voor in de omgang met homoseksualiteit. Ondanks een religieus verbod op seksuele handelingen tussen mannen kende de klassieke islamitische wereld geen homofobie. Tussen 800 en 1800 ontstonden ontelbare homo-erotische gedichten, erkend als hoogstaande literatuur. Ze werden voor een deel zelfs geschreven door godsdienstige geleerden. Het einde kwam tamelijk abrupt – en het kwam niet door de islamitische religie. Rond het midden van de negentiende eeuw hield de productie van homo-erotische gedichten ineens op. In toenemende mate moesten homoseksuelen het licht van de openbaarheid schuwen. En vandaag voelt het Westen, waar eeuwenlang homo’s vervolgd en onderdrukt waren, zich geroepen om te eisen dat homorechten in de islamitische wereld geëerbiedigd worden.

Hoe kwam het tot deze in de tijd verschoven ontwikkeling? Tot in de moderne tijd stond de islamitische wereld bekend als een bedreigend oord van seksuele uitspattingen. Dit had de mensen in de islamitische wereld koud kunnen laten, ware het niet dat het Westen in de negentiende eeuw dankzij zijn militaire en economische dominantie enkele islamitische landen gekolonialiseerd had, en op de andere landen sterke invloed uitoefende. En zo kon het gebeuren dat tegenwoordig bepaalde ideeën ‘islamitisch’ worden genoemd, terwijl het in werkelijkheid de verplaatsbare decorstukken van een negentiende-eeuwse victoriaanse moraal zijn.

Het proces van verinnerlijking van westerse burgerlijke waarden in islamitische landen valt tot op de dag van vandaag waar te nemen. Zo zorgde in 2009 de scheiding van de Egyptische oppositieleider Aiman Nur voor een schandaal in het land, omdat hij een liberale, pro-westerse politicus is en hij en zij vrouw samen een ‘droompaar’ vormden, dat zich gedragen had geheel volgens de conservatieve fatsoensnormen waar grote delen van de Egyptische middenklasse zich door laten leiden. En weer waren het niet islamitische waarden (scheiden is volgens de islam geen probleem) die het schandaal veroorzaakten, maar de burgerlijke westerse waarden die de islam vertraagd heeft overgenomen.

Terwijl islamitische landen de waarden uit het Westen omarmden, verloren die waarden in het Westen langzamerhand hun geldigheid.

De omwentelingen in de twintigste eeuw, vooral de beweging die we met het symbolische jaar 1968 verbinden, veranderden het waardenlandschap van het Westen fundamenteel.

Aan de islamitische wereld ging deze ontwikkeling voorbij. In de meeste landen waren militaire dictaturen voor koloniale machten in de plaats gekomen en was een klimaat van geestelijke onderdrukking geschapen dat eerder leidde tot een morele herbewapening dan tot een kritisch onder de loep houden van geïmporteerde zienswijzen.

Toegespitst geformuleerd: het probleem van de islamitische wereld is niet het vermeende ontbreken van de Verlichting (die het Westen in de achttiende eeuw beleefde), maar het ontbreken van de revolte zoals die hier in de zestiger jaren plaatsvond. Door de vele dictaturen in de islamitische wereld te ondersteunen is het Westen aan het uitblijven van deze culturele ontwikkeling niet geheel onschuldig.

Het is te hopen dat de ‘wet van de asynchroniteit’ nogmaals in werking treedt en de in Tunesië ingezette democratiseringsbeweging nu – al is het dan laat – alsnog een weg naar meer vrijheid en ook naar meer liberalisme kan scheppen.

Thomas Bauer is arabist en islamoloog. Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Duitse tijdschrift Geo.

Van aardig verdraagzaam naar extreem intolerant

De Duitser Thomas J. Bauer (1961) is als hoogleraar islamologie en arabistiek verbonden aan de Wilhelms-universiteit van Münster.

Deze week is zijn boek ‘Die Kultur der Ambiguität. Eine andere Geschichte des Islams’ verschenen (ISBN 9783458710332, Verlag der Weltreligionen). Bauer poneert in deze studie dat de islamitische cultuur vóór de moderne tijd veelkleuriger (‘ambigue’) en aanmerkelijk toleranter was dan nu. Dat bespaarde de islam toen veel crises die het Westen wel teisterden.

Maar vanaf de negentiende eeuw verdween volgens Bauer geleidelijk aan de tolerantie uit de islamitische cultuur. Wat volgde was een omslag zonder precedent en met ‘verstrekkende gevolgen’. De islam ontwikkelde een ‘extreme onverdraagzaamheid tegenover elke vorm van pluraliteit’. Bauer noemt de varianten in koranteksten die in de veertiende eeuw nog in omloop waren en de ruimte die toen aan de interpretatie van Koran en traditie werd gegund. “Dat gold toen als een verrijking. Nu beschouwen moslims dat als aanstootgevend.”

Volgens Thomas Bauer veroorzaakt deze omslag de huidige conflicten tussen de islamitische cultuur en de moderne westerse wereld.

(THOMAS BAUER − 22/05/11 / www.trouw.nl / 16.07.2011)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *