Kamerbrief over het vredesproces in het Midden Oosten

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Binnenhof 4
Den Haag
Datum 12 december 2012
Betreft Midden-Oosten Vredesproces
Geachte voorzitter,
Met deze brief informeer ik u over het voorgenomen kabinetsbeleid ten aanzien van het Midden-Oosten Vredesproces (MOVP) en de betrekkingen van Nederland met Israël en de Palestijnse Autoriteit (PA). Deze brief is – zoals toegezegd door de minister-president tijdens het debat over de regeringsverklaring – een uitwerking van het voornemen in het regeerakkoord, dat Nederland waar mogelijk bijdraagt aan de vrede en veiligheid in het Midden-Oosten, waarbij de goede banden met zowel Israël als de PA worden benut. Eerder informeerde ik de Kamer met brieven op 15 november 2012, 27 november 2012 en 6 december 2012 over deelaspecten van ontwikkelingen rond het MOVP, te weten de Palestijnse AVVN-resolutie over non member observer state status, de recente Gaza-crisis en de Nederlandse inzet ten aanzien van het MOVP in de Raad Buitenlandse Zaken van 10 december 2012.

Terugblik
De Oslo-akkoorden en de twee-statenoplossing
Al decennia worden pogingen ondernomen om tot een vredesregeling te komen tussen Israël en de Palestijnen. Een doorbraak leek mogelijk bij het Oslo-akkoord van 1993 tussen Israël en de Palestine Liberation Organisation (PLO). Sinds dat akkoord zet de internationale gemeenschap in op een Israëlisch-Palestijns vredesakkoord dat moet leiden tot twee staten, op basis van directe onderhandelingen tussen beide partijen. Onderwerpen die daarbij volgens de Oslo-akkoorden aan bod moeten komen zijn: de status van Jeruzalem, vluchtelingen, nederzettingen, veiligheid, grenzen, relaties en samenwerking met buurlanden en andere zaken van gemeenschappelijk belang.
Het Oslo-akkoord voorzag in een interim-periode van vijf jaar, waarin onderhandelingen moesten leiden tot een permanente-statusovereenkomst op basis van een twee-statenoplossing. Na negentien jaar is er nauwelijks vooruitgang geboekt, ondanks herhaalde pogingen daartoe, waaronder de top inCamp David in 2000, besprekingen op basis van de ‘Clinton-parameters’ in Taba in 2001, het opstellen van de Routekaart voor de Vrede in 2003, de Annapolis Conferentie in 2007 en directe onderhandelingen in 2010. In feite zijn de Vredesverdragen tussen Israël en Egypte (1979) en tussen Israël en Jordanië (1994) de voornaamste resultaten van de inspanningen om tot een vreedzaam en stabiel Midden-Oosten te komen.

Inzet Nederland
Nederland heeft de afgelopen decennia een actief beleid gevoerd, zowel bilateraal, via de band van de EU, als in het kader van de VN ter ondersteuning van een door middel van onderhandelingen te bereiken twee-statenoplossing. Nederland en Israël hebben van oudsher goede betrekkingen, die beide landen op vele terreinen met elkaar verbinden. Deze krijgen onder meer gestalte in een frequente politieke dialoog en samenwerking op het gebied van handel, wetenschap en cultuur. De relaties met de PA zijn sinds vele jaren eveneens goed en krijgen onder meer vorm in jaarlijkse politieke consultaties, jaarlijkse consultaties over de besteding van Nederlandse hulpgelden en steun voor de Palestijnse staatsopbouw. In dat kader bestaat een substantieel hulpprogramma gericht op voedselzekerheid en op private-sectorontwikkeling, veiligheid en rechtsorde, watervoorziening en humanitaire hulp.
Rol EU, Kwartet en Arabische Liga
Sinds jaar en dag worstelt de EU met het vinden van een evenwichtige consensus over een gemeenschappelijk Midden-Oostenbeleid. Toch lukt het de lidstaten, stap voor stap, dichter bij elkaar te komen. Het besef dat een verdeelde EU een weinig invloedrijke EU zal blijven, lijkt steeds meer tot alle lidstaten door te dringen.
Maar we zijn er nog niet. Opeenvolgende Nederlandse regeringen hebben actief bijgedragen aan de ontwikkeling van Europees beleid ten aanzien van het MOVP, zoals onder meer vastgelegd in Raadsconclusies van december 2009 en mei 2012. Nederland heeft zich daarbij ingezet voor een evenwichtig EU-optreden, waarbij de zorgen en belangen van zowel Israël als de Palestijnen zorgvuldig in acht werden genomen.
Ook de EU heeft zich gecommitteerd aan een onderhandelde twee-statenoplossing, op basis van onder meer de relevante VN-Veiligheidsraadresoluties, de Routekaart voor de vrede en overige overeengekomen akkoorden. De EU en Nederland hanteren de volgendeparameters voor een vredesakkoord:
1. Grenzen van ’67 zijn uitgangspunt. Wijziging alleen met instemming van beide partijen;
2. Veiligheidsgaranties die recht doen aan Israëlische en Palestijnse veiligheidsbehoeften;
3. Een oplossing voor het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk dient te worden gevonden op basis van onderhandelingen.
4. Een oplossing voor de status van Jeruzalem als hoofdstad van twee staten dient te worden gevonden op basis van onderhandelingen.
De EU werkt nauw samen met de Kwartet-partners: Rusland, de VN en de VS. Algemeen wordt aangenomen dat een alomvattend akkoord niet zonder intensieve betrokkenheid van de VS tot stand kan komen. De VS hebben in het recente verleden veelal in de context van het Kwartet geopereerd. De effectiviteit van de EU in dit samenwerkingsverband hangt sterk af van de mate waarin de Unie eensgezindheid weet te bereiken. Pogingen van het Kwartet om bij te dragen aan directe onderhandelingen tussen partijen kregen laatstelijk vorm in de verklaring van september 2011, die voorzag in een eerste fase gericht op het bereiken van een raamwerkakkoord over grenzen en veiligheid, waarna onderhandelingen over Jeruzalem en vluchtelingen zouden volgen. Nederland en andere landen, waaronder de VS, Jordanië en Frankrijk hebben zich het afgelopen jaar ingespannen om directe onderhandelingen tot stand te brengen. Het genoemde raamwerkakkoord had er uiterlijk eind 2012 moeten zijn, maar de kansen daarop zijn nihil. Zoals gezegd acht de regering actieve betrokkenheid van de VS noodzakelijk om in de huidige situatie verandering aan te brengen.
De EU heeft ook een eigenstandige positie, die onder meer tot uitdrukking komt in het Associatie Akkoord met Israël en in het Interim Associatie Akkoord dat de Unie sloot met de PLO, die optrad namens de PA. Het akkoord met Israël omvat onder meer afspraken over een politieke dialoog, handel en samenwerking op tal van andere terreinen. Het akkoord met de Palestijnen biedt de meeste goederen uit de Palestijnse gebieden rechten-vrije en ‘quota-vrije ’ toegang tot de EU. De Palestijnse Gebieden ontvangen bovendien aanzienlijke hulp van de EU en de EU-lidstaten voor de opbouw van staatsstructuren van de PA. Voor 2011-2012 droeg de EU met nabuurschapsgelden minimaal 548 miljoen euro bij aan lopende kosten van de PA en aan de opbouw van duurzame Palestijnse instituties.
Verder draagt de EU bij aan ontwikkeling van de veiligheidssector en rechtstaatontwikkeling, onder meer via de EU-politiemissie in de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS). De European Union Border Assistance Mission bij de
Rafah grensovergang (EUBAM Rafah) staat sinds de machtsovername van Hamas in 2007 op ‘stand by’. Nederland levert een bijdrage aan beide EU-missies. Ook ondersteunt Nederland de Amerikaanse missie van de United States Security
Coordinator (USSC) bij de opbouw van de Palestijnse veiligheidssector.
De positie van de Arabische Liga is neergelegd in het Arabische Vredesinitiatief uit 2002, dat eveneens is gebaseerd op het principe van de twee-statenoplossing. In dat initiatief bieden de Arabische landen normalisering van de betrekkingen met
Israël aan in ruil voor Israëlische terugtrekking uit de Palestijnse Gebieden, de Golan Hoogte, een oplossing voor het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk en de vestiging van een Palestijnse staat in de gebieden die werden bezet in 1967, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad.
Stand van zaken
De levensvatbaarheid van de twee-statenoplossing staat thans door een aantal ontwikkelingen ernstig onder druk.
1. Veiligheid
Van veiligheidsgaranties die volledig recht doen aan Israëlische en Palestijnse veiligheidsbehoeften is nog geen sprake. De recente raket-aanvallen vanuit de Gaza-strook illustreerden eens te meer hoe precair de situatie is. Tegelijkertijd
is er wel degelijk vooruitgang geboekt op de Westoever, waar desamenwerking tussen Israël en de Palestijnse veiligheidsdiensten goed verloopt. De voortdurende dreiging van terreuraanslagen en raketaanvallen is van grote invloed op de Israëlische publieke opinie en voedt de behoefte aan effectieve veiligheidsmaatregelen. Dat betekent dat iedere Israëlische regering betrouwbare veiligheidsgaranties zal willen krijgen voordat zij een vredesakkoord sluit.
2. Nederzettingen
De voortdurende uitbreiding van Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns Gebied is een ernstige bedreiging voor het vredesproces. De bouw van nederzettingen is strijdig met internationaal recht en loopt vooruit op eventuele wijzigingen van de grenzen van ’67. De nederzettingenbouw is bovendien zo omvangrijk dat de twee-statenoplossing fysiek onmogelijk dreigt te worden. In ieder geval maakt dat een mogelijke uiteindelijke afspraak betreffende land-ruil extra moeilijk. Op basis van de meest recente cijfers bestaan er ongeveer 150 nederzettingen op de Westoever inclusief Oost-Jerusalem. Daar wonen ongeveer 500.000 Israëli’s, waarvan bijna 200.000 in Oost-Jeruzalem. De jurisdictie van deze nederzettingen beslaat ongeveer 43% van het grondgebied van de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem.
Dit land is daarmee niet beschikbaar voor de opbouw van een Palestijnse staat.
3. Jeruzalem
Een oplossing voor de status van Jeruzalem lijkt ver weg. Israël heeft Oost-Jeruzalem geannexeerd (hetgeen internationaal niet erkend wordt) en als gevolg van de nederzettingenbouw dreigt Oost-Jeruzalem effectief te worden afgesneden van de Westoever. Alleen het zogeheten E1 gebied ten oosten van Jeruzalem biedt nog een verbinding tussen Oost-Jerusalem en de rest van de Westoever. De aankondiging van Premier Netanyahu dat ook daar nederzettingen zullen worden gebouwd dreigt te leiden tot een volledige fysieke scheiding tussen deze gebieden.
4. Palestijnse verdeeldheid
Het Palestijnse leiderschap van de PA en de PLO staat onder toenemende druk. Het gebrek aan tastbare resultaten aan de onderhandelingstafel, de voortdurende uitbreiding van nederzettingen en de in de ogen van veel Palestijnen toegenomen statuur van Hamas hebben geleid tot erosie van depositie van de Palestijnse President Abbas. Pogingen – mede onder auspiciën van Egypte en Qatar – om te komen tot Palestijnse verzoening zijn tot op heden vruchteloos gebleken. Hamas heeft in het recente verleden afbreuk gedaan aan pogingen tot verzoening te komen en de positie van Abbas ondergraven. Zonder verzoening lijkt medewerking door Hamas aan een vredesregeling echter niet goed denkbaar. Het bereik van een vredesakkoord zou zich zodoende beperken tot de Westelijke Jordaanoever. Een structurele oplossing voor het conflict tussen Israël en Gaza/Hamas blijft dan uit, waarmee noch de veiligheid van Israël noch de bevolking van Gaza gediend zou zijn. Ook beperkt een definitieve scheiding tussen Gaza en de Westoever de economische ontwikkelingsmogelijkheden van de Palestijnse Gebieden.
Om zicht te houden op een alomvattend vredesakkoord zal daarom ingezet moeten worden op de vorming van een eenheidsregering. Hamas staat sinds 2003 op de EU-terrorismelijst. Ten aanzien van contacten met een eventuele eenheidsregering gelden de zogenaamde Kwartetbeginselen. Dat zijn:
– erkennen van Israël;
– afzweren van geweld;
– erkennen van bestaande akkoorden.
5. AVVN-resolutie
President Abbas heeft tegen deze achtergrond de resolutie over statusverhoging in de VN doorgezet. De resolutie is aangenomen met 138 voorstemmen, 9 tegenstemmen en 41 onthoudingen. Nederland heeft, zoals bekend, zich onthouden. De toekenning van de status van non-member observer state achtte Nederland legitiem, maar ontijdig, omdat het hervatting van de onderhandelingen nodeloos compliceert. Het is op dit moment te vroeg om de gevolgen hiervan te overzien, aangezien nog onduidelijk is welke gevolgen de reacties van de verschillende partijen zullen hebben voor de mogelijke herstart van onderhandelingen. In ieder geval heeft het wel geleid tot Israëlische tegenmaatregelen die de situatie verder compliceren.
6. Regionale ontwikkelingen
De stormachtige ontwikkelingen van de laatste twee jaar in de Arabische wereld hebben de verhoudingen in het Midden Oosten danig opgeschud. De nieuwe regeringen die als gevolg van de Arabische transitie aan de macht zijn gekomen staan kritischer tegenover Israël dan hun voorgangers en de steun voor Hamas is groeiende, vooral vanuit Egypte, Turkije en Qatar. Daarmee zijn in het bijzonder de Israëlische relaties met Egypte en Jordanië gecompliceerder geworden. De voorheen goede relaties tussen Israël en Turkije zijn sinds operatie Cast Lead van 2008 en vooral sinds het Gaza-flotilla-incident van mei 2010 sterk verslechterd. Daarnaast is de steun in de Arabische wereld voor het Arabisch Vredesinitiatief tanende. De crisis in Syrië – en de gevolgen daarvan in Libanon en Jordanië – zorgt voor toenemende instabiliteit aan de Israëlische noord- en oostgrens. De veiligheid van Israël staat verder onder druk door Iran, zowel als gevolg van het Iraanse nucleaire programma, als door de steun die Iran verleent aan Hamas, Hezbollah en Palestinian Islamic Jihad.
Ook in dit kader is een duurzaam Israëlisch-Palestijns vredesakkoord van groot belang. Een dergelijk akkoord zou een positieve impuls geven aan de betrekkingen tussen het Westen en de Arabische wereld en het zou gematigde krachten steunen en extremisten de wind uit de zeilen nemen. Het toegenomen zelfbewuste optreden van de Arabische Liga in de regio biedt kansen voor nadere dialoog over het vredesproces. Het Arabisch Vredesinitiatief biedt daar een goede basis voor. Vooral Egypte en Jordanië vervullen binnen de Arabische wereld een bijzondere rol bij de bevordering van een vredesregeling vanwege hun genormaliseerde betrekkingen met Israël. Met name nauwe betrokkenheid van Egypte bij de Israëlisch-Palestijnsevredesbesprekingen is zeer wenselijk, gezien de regionale machtspositie en de rol die het speelt in Gaza.
Inzet kabinet
In het licht van het bovenstaande is de inzet van het kabinet gericht op een alomvattend vredesakkoord op basis van de twee-statenoplossing. Hoe langer de huidige status quo voortduurt, des te kleiner het draagvlak wordt voor – en de kans op – een alomvattend akkoord.
Parameters twee-statenoplossing
Nederland zal tegenwicht bieden aan de ontwikkelingen die de levensvatbaarheid van de twee-statenoplossing bedreigen en bijdragen aan een oplossing op de onderscheiden elementen van de zogenaamde parameters voor een twee-statenoplossing.
1. Veiligheid
De samenwerking op veiligheidsgebied gedurende een reeks van jaren tussen de PA en Israël heeft positieve resultaten opgeleverd, met name op het gebied van het tegengaan van terroristische aanslagen. Het geweld, dat bij tijd en wijle nog steeds oplaait, is echter bijzonder schadelijk voor de versterking van wederzijds vertrouwen. De raketaanvallen uit Gaza zijn hiervan weer een schokkend voorbeeld. Israël heeft het volste recht zijn bevolking voor die dreiging te allen tijde te beschermen met inachtneming van de proportionaliteit die het internationale recht voorschrijft. Het kabinet steunt Israël daar ook in. Overigens ondervindt Israël een soortgelijke dreiging van Hezbollah uit Libanon.
Hoewel van een andere orde, is het toegenomen geweld van kolonisten tegen Palestijnen en Palestijnse belangen, waar onvoldoende tegen wordt opgetreden en dat vaak zelfs geheel onbestraft blijft, ook een ernstige hinderpaal in het vergroten van onderling vertrouwen.
Om de veiligheidssituatie te verbeteren zal Nederland blijven inzetten op versterking van de veiligheidsstructuren, zowel multilateraal (bijvoorbeeld door bijdrages aan EUPOL COPPS en EUBAM Rafah) als bilateraal (voortzetting van het bestaande programma in de Palestijnse Gebieden opgebied veiligheid en rechtsorde). Nederland zal actief bijdragen aan
inspanningen die wapensmokkel trachten tegen te gaan, zoals die worden ondernomen in het kader van het Gaza Counter Arms Smuggling Initiative (GCASI). Tevens zal Nederland zich sterk blijven maken voor de aanpak van kolonistengeweld. Ook zal Nederland zich blijven inspannen voor een einde aan opruiing en aan oproepen tot geweld, via de (op dit moment niet actieve) tri-laterale commissie (VS, Israël en PA).
2. Nederzettingen / Grenzen van ‘67
Uitgangspunt is dat de grenzen van ’67 alleen met onderlinge overeenstemming kunnen worden gewijzigd. Daarom ook is het stopzetten van de uitbreiding van nederzettingen zo belangrijk. Onderdeel daarvan is dat de internationale gemeenschap de nederzettingen noch de facto, noch de jure erkent. Nederland zal zich daarom sterk blijven uitspreken tegen uitbreidingen. In dit verband zal Nederland zich er in de EU ook voor inzetten dat producten afkomstig uit de nederzettingen niet in de EU worden ingevoerd onder misleidende labels of onder voor Israëlische producten geldende preferentiële invoertarieven. Een en ander wordt momenteel uitgewerkt. Uitgangspunt is dat producten uit de nederzettingen niet mogen worden aangemerkt of behandeld als Israëlische producten. Nederland zal tevens inzetten op het verbeteren van de leefomstandigheden en de ontwikkelingsmogelijkheden voor de Palestijnen in die gebieden op de Westoever die nu nog onder volledige controle staan van Israël (het zogeheten ‘Area C’-gebied). In dit verband verdienen de Nederlandse inspanningen om tot plaatsing van container-scanners te komen bijzondere vermelding.
3. Vluchtelingen
Een oplossing voor het vluchtelingenvraagstuk kan alleen worden bereikt via directe onderhandelingen. Ondertussen kan Nederland wel een bijdrage leveren aan de economische ontwikkeling en het verbeteren van de humanitaire situatie van de Palestijnse vluchtelingen. Activiteiten op dat terrein zullen worden voortgezet, zoals de steun aan UNRWA.
4. Jeruzalem
Waar mogelijk zal Nederland een bijdrage leveren aan het oplossen van praktische problemen die zich kunnen voordoen bij de uitwerking van een oplossing voor de status van Jeruzalem, bijvoorbeeld op het gebied van de beoogde samenwerking tussen gemeentelijke overheden en politiediensten. Nederland zal tevens bijdragen aan het wegnemen van belemmeringen voor culturele, economische, sociale en politieke activiteiten van Palestijnen in Oost-Jeruzalem, om zo bij te dragen aan het
in leven houden van het vooruitzicht dat Oost-Jeruzalem de hoofdstad van een toekomstige Palestijnse staat zal worden.
Hervatting onderhandelingen
Nederland wil bijdragen aan een zo gunstig mogelijk klimaat voor de hervatting van onderhandelingen, om vervolgens ook inhoudelijk te kunnen bijdragen aan de totstandkoming en bestendiging van een vredesakkoord. Prioriteit ligt bij hervatting van directe onderhandelingen. Ondertussen moeten we blijven inzetten op het levensvatbaar houden van de twee-statenoplossing. Nederland zal daarbij de goede relaties met Israël en de PA benutten, zal hun zorgen en belangen zorgvuldig in acht nemen en zal beide partijen aanspreken op hun verantwoordelijkheden. Om de effectiviteit van het Nederlandse en EU-beleid te maximaliseren streeft het kabinet naar een eensgezind en evenwichtig EU-optreden.
Het beste tijdstip om de onderhandelingen te hervatten is onmiddellijk na de formatie van een nieuw Israëlisch kabinet begin 2013. Voor het succes van de onderhandelingen is ook een sterke Palestijnse partner nodig, waarbij de regering president Abbas zal aanspreken op zijn toezegging om na de statusverhoging in de VN zonder voorwaarden vooraf tot directe onderhandelingen bereid te zijn.
Intra-Palestijnse verzoening is in dat opzicht van belang. Het kabinet zal verder pogingen steunen om te komen tot intra-Palestijnse verzoening – mits de Kwartet-principes in acht worden genomen – met het doel een vredesakkoord dat betrekking heeft op zowel de Westoever als Gaza. Nederland zal in dit kader steun verlenen aan Hoge Vertegenwoordiger Ashton en een krachtige inzet van de VS bepleiten. Daarnaast zal Nederland werken aan het ontwikkelen van ‘deposits’: toezeggingen aan de betrokken partijen die het vertrouwen in een vredesakkoord vergroten, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid, economische ontwikkeling of monitoring van akkoorden. Verder zet Nederland in op behoud van het perspectief op vrede tussen Israël en de Arabische wereld, indachtig het Arabisch Vredesinitiatief en de vredesverdragen van Israël met Egypte en Jordanië. Door de recente ontwikkelingen in de Arabische wereld staan deze onder druk.
Bilateraal
Nederland zal de goede banden met Israël en de PA benutten om waar mogelijk bij te dragen aan het MOVP en zal daartoe ook samen met andere Europese landen constructieve voorstellen doen. Nederland zal de dialoog aangaan over mogelijke intensiveringen van Europese samenwerking. De relatie met respectievelijk Israël en de Palestijnse Autoriteit kan onder meer gestalte krijgen in de vorm van bilaterale fora, zoals Nederland die heeft met onder meer Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Die fora zijn gericht op het bijeenbrengen van brede geledingen uit de maatschappij om te spreken over samenwerking en maatschappelijke kwesties waarvoor in beide landen belangstelling bestaat. Het kan gaan om bijeenkomsten waar kabinetsleden aan deel nemen, maar ook om ontmoetingen tussen vertegenwoordigers van
maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, het bedrijfsleven of overheden. Zodoende kan worden voortgebouwd op de bestaande samenwerking en er zal ook gekeken worden naar mogelijkheden voor trilaterale samenwerking, zoals dat
momenteel gebeurt op het gebied van grensovergangen. Ook op het gebied van water, waar al een schat aan kennis, ervaring en expertise ligt, bestaan mogelijkheden voor verdere trilaterale samenwerking. Een en ander zal in overleg met Israël en de Palestijnse Autoriteit nader vormgegeven worden. Tevens bestaat de mogelijkheid in een goede relatie beide partijen aan te sporen voortgang in het MOVP te maken en zich te onthouden van eenzijdige stappen.
Voor de relatie met Israël liggen er perspectieven voor meer samenwerking met betrekking tot economie, wetenschap, innovatie, onderzoek en investeringen, landbouw en cultuur. Speciale aandacht blijft uitgaan naar de gemeenschap van Nederlanders en anderszins met Nederland verbonden inwoners van Israël. Voor de relatie met de Palestijnen zijn er perspectieven voor een verdere bijdrage aan de opbouw van een Palestijnse staat en voor de ontwikkeling van de sociaal-economische relatie, waarbij nadrukkelijke aandacht besteed zal worden aan de private sector.
Het kabinet is ervan overtuigd dat het geheel van bovenstaande standpunten, benaderingen en concrete stappen Nederland de positie verschaft om een constructieve rol te spelen, binnen de internationale gemeenschap, in de Europese Unie en in de relatie met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit, met als doel om het vredesproces nieuw leven in te blazen. Deze constructieve benadering moet ons in staat stellen te stimuleren wat goed gaat en te ontmoedigen wat het proces frustreert. Vanuit de gedachte dat een betrokken partner ook een directe en eerlijke partner kan zijn.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Frans Timmermans

Israël-Palestina: Recht op bestaan of recht op zelfbeschikking?

De Palestijnse organisatie Hamas weigert het ‘recht op bestaan’ van Israël te erkennen, een zoveelste bewijs van hun extremisme, volgens de massamedia. Die storen zich daarbij niet aan het feit dat dit ‘recht’ van staten niet door het internationaal recht wordt erkend, dit in tegenstelling tot het ‘recht op zelfbeschikking’ van volkeren, dat wél wordt erkend en door de Palestijnen wordt opgeëist.
palestina

Wat is het ‘recht op bestaan’ van een staat?

Het concept komt regelmatig aan bod. De Israëlische politieke leiders eisen dit recht voortdurend op. Hamas moet het ‘recht op bestaan’ van Israël erkennen als voorwaarde om aan onderhandelingen te kunnen beginnen, enzovoort. Duiding of achtergrondinformatie wordt in de berichtgeving over het conflict Israël-Palestina zelden of nooit gegeven. Het valt dan ook niet te verwonderen dat over dit ‘recht op bestaan’ veel misverstanden bestaan.

Journalisten – die toch beter zouden moeten weten – slaan dan ook regelmatig de bal mis wanneer ze het ‘recht op bestaan’ van Israël omschrijven. Dat het publiek er haast niets van begrijpt – of erger, in dit begrip iets meent te zien dat er helemaal niet is – is een logisch gevolg. Men mag er trouwens van uitgaan dat de misverstanden over dit begrip ‘recht op bestaan’ grotendeels doelbewust worden verspreid.

Het begrip ‘recht op bestaan’ is niet nieuw. Het bestaat al langer dan het conflict Israël-Palestina, maar het is toch in dit conflict dat dit concept het meest frequent gebruikt wordt. Daarom even verduidelijken.

Waar gaat het eigenlijk over?

De Amerikaanse politieke activist Thomas Paine (1737-1809) had het in zijn geschriften over het ‘recht op bestaan van representatieve regeringen’, dit in tegenstelling tot ‘erfelijke regeringen’ (koningen e.d.) die dat recht volgens hem niet hadden. Over de staten die door deze regeringen werden bestuurd, sprak hij zich niet uit.

Het ‘recht op bestaan’ van een natie/staat werd voor het eerst besproken in het essay ‘Qu’est-ce qu’une nation’ (Wat is een natie?), geschreven in 1882 door de Franse filosoof Ernest Renan (1832-1892). Daarin staat ondermeer dit te lezen: “… een staat heeft het recht om te bestaan wanneer personen bereid zijn hun eigenbelang te offeren voor de gemeenschap die door deze staat vertegenwoordigd wordt”.

Dit recht op bestaan slaat dus niet op volkeren, zelfs niet op territoria, maar enkel en alleen op naties of staten. Dit recht werd nooit omgezet in wetgevende teksten. Het internationaal recht kent dit concept niet. Het is uitsluitend een politiek begrip. Door het ‘recht op bestaan’ te claimen stellen personen een politieke eis, nemen ze een standpunt in over een dispuut.

Waar wordt dit recht opgeëist?

In de twintigste eeuw is het begrip regelmatig opgedoken in meerdere disputen, recent nog in Abchazië, de (officieel) Georgische provincie die zich heeft afgescheurd. Ook Tsjetjseense rebellenorganisaties eisen het ‘recht op bestaan’ van een onafhanklijk land Tsjetsjenië op. In Spaans/Frans Baskenland en Turks/Iraaks/Iraans/Syrisch Koerdistan maakt het eveneens al jaren deel uit van het politiek gehakketak tussen Koerdische bevrijdingsbewegingen en de betrokken staten.

De opstand in Noord-Ierland kenmerkte zich dan weer door een omgekeerde stellingname. Het Irish Republican Army (IRA) heeft altijd gestreden voor hereniging met de rest van Ierland en weigert het ‘recht op bestaan’ van een afzonderlijk Noord-Ierland te erkennen.

Gaat het alleen over territoriale disputen?

Natiestaten met een nauwkeurig afgebakend territorium zijn historisch een recent fenomeen, dat in Europa zijn eerste ontwikkeling kende en door de Europese kolonisatoren naar hun wingewesten werd uitgevoerd. De meeste ex-kolonies omvatten nog steeds het grondgebied van die vroegere kolonies, ook al waren hun grenzen volledig arbitrair getrokken door de kolonisatoren, die geen rekening hielden met de etnische, taalkundige, en culturele banden die volkeren hadden. Daarom leven tot vandaag vele Afrikaanse volkeren van elkaar gescheiden door koloniale staatsgrenzen.

Er zijn heel wat bewegingen die bestaande staten niet erkennen. Er ontstaan ook nieuwe erkende staten. Soedan is recent opgesplitst in twee staten. Er bestaan ook niet-erkende staten. Somaliland is een deel van Somalië dat de facto volledig eigen bestuur heeft maar door geen enkel land wordt erkend.

Dan zijn er ook nog territoria die niet tot een staat behoren. De annexatie van de Westelijke Sahara door Marokko wordt slechts door enkele landen erkend. Ook zijn er delen van staten die zich vanaf het ontstaan van de staat waar ze toe behoren hebben verzet tegen die beslissing. In de Indiase provincie Kashmir wordt al sinds het ontstaan van de onafhankelijke staat India de strijd voor een eigen land bloedig onderdrukt … de lijst is verre van volledig.

Al deze disputen gaan om het veroveren van macht en daaropvolgend om de strijd voor internationale erkenning. Het internationaal recht voorziet procedures om nieuwe staten te erkennen. Het ‘recht op bestaan’ wordt echter niet beschouwd als een juridisch geldend en bindend concept.

Naties/staten/territoria/volkeren

Het internationaal recht, zoals dat vorm kreeg sinds de jaren ’20 en ’30 maar vooral na de Tweede Wereldoorlog, erkent dus geen recht op bestaan van landen/staten/naties. Meer zelfs, het erkent niet eens een recht op onafhankelijkheid. Het handvest van de VN erkent alleen het recht op zelfbeschikking van volkeren. De eerste (en mislukte) poging om een wereldomspannende organisatie op te richten heette trouwens de Volkenbond (‘League of Nations‘).

Sinds het systeem van natiestaten is ontstaan in Europa en zich van daaruit over de wereld heeft verspreid als de enig geldende vorm van territoriaal beheer, zijn er staten gekomen en gegaan. De grootste veranderingen hadden plaats na de Eerste Wereldoorlog door het uiteenvallen van het Oostenrijks-Hongaarse en het Ottomaanse Rijk. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden de nieuwe staten uit de ex-kolonies. Vervolgens zijn er meerdere nieuwe staten ontstaan bij het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

In 2001 is Oost-Timor onafhankelijk geworden, na een referendum in 1999 waarin de Oost-Timorese bevolking zijn recht op zelfbeschikking kon uitdrukken onder toezicht van de VN. De VN heeft hier mogelijk gemaakt dat Oost-Timor kon kiezen voor onafhankelijkheid, in toepassing van het Handvest van de VN.

Op geen enkel ogenblik tijdens de bezetting van Oost-Timor door Indonesië van 1975 tot 1999 heeft ook maar één land ter wereld het ‘recht op bestaan’ erkend van deze kleine eilandstaat, maar wél het ‘recht op zelfbeschikking’ van het Oost-Timorese volk. Slechts een minimaal aantal Oost-Timorezen kozen bij het referendum voor integratie in Indonesië.

Het recht op zelfbeschikking van volkeren

Nogmaals: de VN erkennen enkel en alleen het ‘recht op zelfbeschikking’ van volkeren en niet ‘het recht op onafhankelijkheid’ of ‘het recht op bestaan’ van staten. Dat kan verbazend lijken, vooral gezien de VN de laatste jaren toch het voortouw heeft genomen om onder andere de onafhankelijkheid van Oost-Timor en Kosovo te bespoedigen. Toch is het zo. Hoe komt dat?

Daar was in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog een weinig verheven reden voor. De overwinnaars van 1945 zaten immers met een probleem. Hun legers waren dankbaar aangevuld met soldaten uit hun kolonies. Die kolonies begonnen echter onmiddellijk hun onafhankelijkheid als zelfbestuurde staat met een door henzelf verkozen regering op te eisen. Daarop reageerden de koloniale grootmachten met bruut geweld.

De allergrootste overwinnaar van de Tweede Wereldoorlog was echter de VS, zelf een voormalige Britse kolonie. De VS was weliswaar al lang de ‘koloniale’ heerser over de rest van het Amerikaans continent maar had enkel echte kolonies in Hawaii (dat een deelstaat werd) en Puerto Rico (dat geen zelfbestuur heeft).

De VS zagen nooit brood in het klassieke koloniale systeem van territoriale controle maar zochten het meer in indirecte economische kolonisatie, waarbij het bestuur aan lokale elites werd overgelaten. Die zorgden er dan wel voor dat de economische belangen van de VS werden gediend, ten koste van de plaatselijke bevolking.

Bovendien voorzag de VS al dat het Britse en Franse koloniale rijk in elkaar zouden storten. Zij pleitten na de oorlog dus voor de erkenning van de onafhankelijkheidsrechten van de derdewereldlanden. Franse en Britse diplomaten hoopten echter nog altijd dat ze de kolonies zouden kunnen integreren in de koloniale staat.

Ze pleitten daarom voor referenda waarbij de lokale bevolking zelf zou mogen beslissen wat ze zouden willen. De (ijdele) hoop was dat ze die lokale bevolkingen wel zover zouden krijgen om voor een vorm van zelfbestuur binnen de koloniale staat te kiezen.

Een principe dat nog altijd geldt

In het VN-Handvest werd daarom het recht op zelfbeschikking van volkeren opgenomen (dus niet van staten). Dat toen vastgelegde internationaal rechtsprincipe geldt tot vandaag. Het werd voor de koloniale grootmachten een compleet fiasco. Nauwelijks vijftien jaar later waren zowat alle kolonies onafhankelijk (met uitzondering van de Portugese kolonies, die er tien jaar langer over deden). Al die nieuwe staten werden snel erkend door de andere staten en erkend als volwaardige VN-lidstaten.

Eenmaal Oost-Timor zichzelf onafhankelijk verklaarde in toepassing van het recht op zelfbeschikking van het Oost-Timorese volk, werd het nieuwe land erkend door zowat alle landen ter wereld en erkend als VN-lidstaat. Die erkenning is een internationaalrechtelijke beslissing van staten. Inderdaad, alleen staten erkennen andere staten. Groepen of individuen kunnen hun sympathie uitdrukken voor een of andere bevrijdingsstrijd, zij kunnen echter geen staten erkennen.

Erkenning van staten door staten

Wanneer een staat een andere staat erkent, is dat een unilaterale beslissing (die weliswaar in groep kan genomen worden, bijvoorbeeld door de Europese Unie), maar dan nog is het elke staat afzonderlijk die dat moet doen om juridisch bindend te zijn. Een erkenning van een andere staat kan in de feiten gebeuren, door handelsbetrekkingen aan te knopen, maar ook door zich niet te verzetten tegen de erkenning van een nieuwe VN-lidstaat. Hoe absurd dat kan lijken, staat A kan staat B erkennen terwijl staat B het omgekeerde niet doet en staat A niet erkent.

Een staat kan zelfs relaties hebben met een staat die het niet erkent als staat. De meeste landen ter wereld hebben bijvoorbeeld politieke, economische en sociale banden met Taiwan, dat door China nog altijd als een afvallige provincie wordt beschouwd. Soms gaat het dan over details. Zo noemen de meeste landen hun diplomatieke vertegenwoordiging in Taiwan geen ‘ambassade’ maar een ‘verbindingsbureau’ of een of andere gelijkaardige term.

Concreet is er tussen beide geen verschil, het is louter een symbolisch onderscheid, in dit geval om met China de illusie in stand te houden dat Taiwan niet ‘erkend’ wordt. Spaanse zakenlui kunnen zonder problemen commerciële banden smeden met bedrijven in Kosovo, hoewel Spanje de onafhankelijkheid van Kosovo weigert te erkennen.

Staten kunnen hun erkenning formaliseren door het aangaan van diplomatieke betrekkingen, ambassades, tekenen van verdragen, handelscontracten … De erkenning van lidmaatschap van de VN gebeurt alleen door de Veiligheidsraad, niet door de Algemene Vergadering (AV). De AV kan alleen een statuut van waarnemend lid toekennen (wat recent met Palestina gebeurde).

Alleen staten kunnen dus andere staten erkennen. Daarbij gelden twee principes: de erkenning moet wederzijds zijn om reële betekenis te hebben en bovendien moet het territorium van de erkende staat duidelijk afgebakend zijn.

Een erkenning van bijvoorbeeld Marokko houdt niet in dat een staat ook de Marokkaanse annexatie van de Westelijke Sahara erkent. De meeste staten erkennen Israël binnen de grenzen van 1967 maar erkennen Jeruzalem niet als hoofdstad van Israël (omdat het buiten die grenzen ligt).

Het recht op bestaan van Israël

Israël wordt sinds 1949 als staat erkend door een zeer groot aantal andere staten. Israël werd ook een volwaardige lid van de VN, omdat de (toenmalige) Sovjet-Unie en China zich onthielden bij de stemming in de VN-Veiligheidsraad. De statuten van het VN-Handvest voorzien dat een beslissing van de VN-Veiligheidsraad niet geldig is als één van de vijf permanente leden tegen stemt (het fameuze ‘veto’). Een onthouding geldt niet als veto.

De VS heeft altijd al verklaard dat ze een erkenning van Palestina als VN-lidstaat nooit zullen goedkeuren. Dit is voorlopig dus geen optie voor Palestina.

De erkenning van het VN-lidmaatschap van een staat door de Veiligheidsraad impliceert niet dat alle staten die lid zijn van de VN de betrokken staat erkennen als staat. Dat kan alleen de betrokken staat zelf. Een erkenning als VN-lidstaat is wel een zwaar politiek drukkingsmiddel om weigerachtige staten te overhalen.

Zuiver juridisch internationaalrechtelijk kan Israël dus nog altijd weigeren Palestina te erkennen, zelfs als het een volwaardige VN-lidstaat wordt. Omgekeerd geldt dit juridisch principe echter ook. Het is niet omdat een aantal VN-lidstaten nu al Palestina erkennen als staat, dat de VN daarom verplicht zou zijn om Palestina als VN-lidstaat te erkennen.

Het gaat uiteindelijk om een politiek standpunt

Israël eist reeds sinds zijn ontstaan het ‘recht op bestaan’ op. Zoals hierboven uigelegd, dat is een politieke eis zonder juridische consequenties. Er zijn een aantal ogenblikken geweest dat sommige Arabische landen dat effectief hebben gedaan. In 1967 heeft een Egyptisch diplomaat verklaard dat ”Israël het recht heeft te bestaan binnen wederzijds erkende grenzen”.

De toevoegingen “wederzijds” en “erkende grenzen” zijn daarin cruciaal, omdat deze omschrijving in feite beantwoordt aan de effectieve erkenning van een staat, zoals omschreven in het internationaal recht. Ook VN-resoluties 242 en 338 hernemen het principe dat “Israël het recht heeft om te bestaan in vrede en veiligheid voor iedereen”. Ook hier weer belangrijke restricties. Het gaat hier om termen die een feitelijke erkenning inhouden en als basis kunnen dienen voor vredesonderhandelingen.

Het ‘recht op bestaan van een Joodse staat’

In 2009 heeft eerste minister Ehud Olmert nog gesteld dat Israël “het recht heeft te bestaan als een Joodse staat”. Dit is heel wat anders dan de twee vorige omschrijvingen. Het VN-Handvest omschrijft het verbod op discriminatie op basis van geslacht, taal, etnische afkomst en religie. Een “recht op bestaan als Joodse staat” is dus principieel onaanvaardbaar en een inbreuk op het internationaal recht.

Israëlische woordvoerders spreken dat tegen met het argument dat er nog staten zijn met één erkende staatsgodsdienst, zoals Groot-Brittannië, en dat Israël ook islamitische staatsburgers heeft die hun godsdienst vrij kunnen beleven. Israël heeft echter meerdere wetten die de rechten van de Palestijnse Israëli’s inperken.

Een Palestijnse Israëli die een Palestijnse uit de bezette gebieden huwt mag bijvoorbeeld zijn echtgenote niet meenemen naar Israël. Zij mag ook geen Israëlisch staatsburger worden. Joden uit de hele wereld kunnen echter zonder probleem Israëlisch staatsburger worden en hun eerste staasburgerschap behouden. Ook qua eigendomsrechten worden Palestijnse Israëli’s gediscrimineerd in Israël.

Bovendien is het openbaar ontkennen van het recht op bestaan van Israël als een Joodse staat sinds mei 2009 een met één jaar gevangenisstraf beboet misdrijf. Ook dit is onaanvaardbaar, omdat het hier om het verbieden van een politieke opinie gaat.

Heeft België een recht op bestaan?

Er zijn in België al zeer lang politieke partijen actief die een onafhankelijk Vlaanderen willen, met andere woorden een opheffing van de staat België. Deze partijen en hun vertegenwoordigers erkennen met andere woorden het ‘recht op bestaan’ van België niet.

Niemand die hun recht op dat standpunt gaat betwisten – wat iets heel anders is dan te stellen dat men het met dat standpunt eens is. België wordt ondertussen erkend door alle andere staten ter wereld. Geen enkel land ter wereld erkent echter het ‘recht op bestaan’ van België.

Kafkaiaans onvervulbare eis aan de Palestijnen

Door een ‘recht op bestaan van Israël’ op te eisen zonder de verduidelijking van grenzen, zonder wederkerigheid van erkenning, zonder de vermelding van de bezetting en de kolonisatie en zonder de vermelding van de apartheidswetten in Israël worden de Palestijnen voor een onmogelijke eis geplaatst.

In de huidige omstandigheden betekent een dergelijke erkenning van een ‘recht op bestaan van Israël’ een verzaken aan al hun politieke eisen.Last but not least betekent een dergelijke erkenning het opgeven van het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen in de bezette gebieden en daarbuiten.

De eis van Israël aan de Palestijnen om het ‘recht op bestaan van Israël’ te erkennen komt hier op neer: “We zullen met jullie onderhandelen op voorwaarde dat jullie eerst al jullie eisen opgeven.”

Israël stelt niets tegenover deze eis. Het erkent immers geen staat Palestina, laat staan dat het een ‘recht op bestaan’ van een eventuele staat Palestina zou erkennen. In feite komt die eis op het volgende neer: “We zullen met jullie onderhandelen op voorwaarde dat jullie eerst al jullie eisen opgeven”.

Chomsky over het ‘recht op bestaan’

Volgens Noam Chomsky is het huidige gebruik van de term ‘het recht op bestaan’ uniek voor het conflict Israël-Palestina: “Geen enkele staat heeft een recht op bestaan, niemand eist ook zo een recht op  (…). Bij hun inspanningen om onderhandelingen en een diplomatieke oplossing te voorkomen, blijven de VS en Israël er op aandringen de lat zo hoog te leggen dat niemand die gaat aanvaarden (…). De Palestijnen zullen nooit de wettelijkheid van de ‘beroving van hun land’ (“their dispossession”) aanvaarden.”

De media en het ‘recht op bestaan’

Media die blijven stellen dat de Palestijnen onredelijk zijn, niet bereid tot onderhandelen, dat Hamas extermistisch is, omdat ze het recht op bestaan van Israël weigert te erkennen als voorwaarde om onderhandelingen te starten, zonder toe te lichten dat dit een onredelijke eis is, steunen de facto de verderzetting van de bezetting en de kolonisatie van Palestina. Zij zijn zo mede verantwoordelijk voor het verderzetten van dit conflict.

Misschien doen de media dit omdat ze niet weten wat het ‘recht op bestaan’ inhoudt. In dat geval zijn ze onbekwaam, omdat ze zich niet degelijk informeren alvorens hun berichtgeving te verspreiden. Misschien weten de media dat wel. In dat geval nemen ze stelling voor de bezetting en kolonisatie van Palestina.

Voor de Palestijnse bevolking komt het op hetzelfde neer. Hun recht op zelfbeschikking wordt hen ontnomen, met dank aan de massamedia.

(www.dewereldmorgen.be / 15.12.2012)

The opposition has won despite losing

Abdul Rahman al-Rashed

The Egyptian arena is witnessing a great political battle; a fight between intellectuals, media, elites and the masses over authorities, positions, history and future.

The proposed constitution, which is the main cause for this dispute, has seen blood spilt on both sides of the political spectrum. Nobody expected these disagreements to lead to anyone’s death. We are witnessing this uproar in the country, because the end result will be the main pillar of Egypt’s future. It will establish political camps, trends and issues, and may even generate a serious amount of tension. We are now in the third quarter of the Egyptian revolution, after surviving the first two after the overthrow of Mubarak’s regime and the separation from the military; the debate now is over the distribution of power and the authorities’ plan for the country.

Whether the majority of Egyptians acknowledged or rejected the constitution, the biggest loser is the ruling party, the Muslim Brotherhood; they have suffered a lot and last weeks’ violence over its interesting development has just distorted their image, especially when the group isolated the Attorney General, declared the dictatorial constitution, and then set the draft constitution within two days. These events have sharply divided the Egyptian people and starts off Mohammed Mursi’s three year presidency on the wrong foot. The Brotherhood has lost the elite and latter’s sympathy which they had managed to accumulate over the forty years they had been marginalized under Mubarak’s rule.

The intellectuals have now resorted to the streets, expressing their growing anger. Magdi Khalil, the director of the Middle East Freedom Forum wrote: “This constitution is designed to suit Islamic movements and lays the foundations for a state of religious dictatorship. It is a foundling constitution and those who have witnessed how the vote on it happened will know that it is about seizure of the authority, not a dialogue on governance. After Vice President Mahmoud Mekki said survival is for the strongest, after the clashes in the Ittihadiya neighborhood and the discrimination between Egyptian who died, some being called martyrs and others not and after the supreme guide and Khairat al-Shater threatened a massacre for Egyptians, their intentions have been revealed. They consist of coercively imposing the opinion of a political faction on the entire Egyptian people”.

This position reflects the state of anger that united all the opposition’s factions despite their differences, knowing that the constitution’s honeymoon has quickly ended between the partners of the revolution. The Brotherhood became an easy target, and Mursi became a despicable personality. The mistakes made by the Brotherhood ever since they were in power did not result from necessity, but rather from their ideology, in which they do not distinguish between religion and society; they want to transfer the concept of blind obedience to the political arena which is instead destined for change and transformation.

The imprudence of Mursi’s team and the dominance of the Brotherhood’s leaders, mainly their supreme guide Mohammed Badie who used vulgar language to criticize his opponents, have spurred the people’s rage, especially when he used the expressions “tails” and agents to describe protesters, even though both disagreement and objection are accepted under the law which brought them to power to begin with.

Egypt is a big country so one team cannot govern alone, or impose its vision on others. That is what brought down Mubarak as the youth joined the rest of the opposition. It will be this that will make Mursi’s life in power extremely difficult over the next three years, not just during this current anguish over the constitution.

The opposition has become a reality that’s now embedded itself in Egyptian life, at a time when the Brotherhood claim they were the sole organized group with 80 years’ experience. But, they have been taken by surprise as the opposition has used their own methods of incitement, propaganda and mobilization against them.

(Abdul Rahman al-Rashed / english.alarabiya.net / 15.12.2012)

New Palestinian group declares 3rd intifada against Israel

Video shows masked men from various Palestinian factions announcing establishment of the Brigades of National Unity in Hebron; spokesman says group will pursue struggle until it “expels occupation, liberates all of Palestine.”

New Palestinian group announces 3rd intifada

Masked men belonging to various Palestinian factions on Saturday announced the establishment of the Brigades of National Unity in Hebron and the beginning of a third intifada against Israel.

In a video posted on several Palestinian websites, a spokesman for the new group said it consisted of members of Fatah, Hamas, Islamic Jihad and the Popular Front for the Liberation of Palestine.

http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=Lmox2VOlcjQ

The spokesman said that although his group backed Palestinian Authority President Mahmoud Abbas’s statehood bid at the UN, “We will not give up one inch of the lands of Palestine, from the river to the sea.”

He said the group would “pursue our struggle until we expel the occupation and liberate all Palestine.”

The spokesman said that the new group has decided to launch the third intifada “from the heart of Hebron so that it could extend to all Palestine.”

The spokesman also threatened to kidnap IDF soldiers and kill Israelis if Israel arrested or killed Palestinians.

“We will strike at you with an iron fist with full force if you don’t stop your aggression against the Palestinian people,” the masked man threatened.

The spokesman demanded that Israel remove all checkpoints and barriers in the West Bank, release all Palestinians from Israeli prisons, withdraw fully from Palestinian territories, release funds belonging to the PA government and reopen all the border crossings.

(www.jpost.com / 15.12.2012)

15 Injured By Israeli Fire In Jerusalem, Five Kidnapped

Palestinian medical sources reported, on Friday evening, that 15 Palestinians have been injured by Israeli military fire in Al-Esawiyya town, in occupied East Jerusalem, and five residents have been kidnapped after the army invaded the area and conducted provocative acts against the residents

File Photo

Local sources reported that hundreds of residents were holding a nonviolent procession in solidarity with Palestinian detainees on hunger strike in Israeli prisons.

The sources added that the soldiers violently assaulted the nonviolent protesters after the army invaded the area, and issue that led to clashes with the soldiers.

The army also demolished and removed that protest tent that was held in solidarity with detainee Samer Al-Esaawy, from Al-Esawiyya, who started his hunger strike more than 86 days ago, and his health condition witnessed a sharp deterioration.

The protest tent was installed near the Arba’een Mosque, in the town; the army confiscated the tent and whatever was in it.

The attack led to clashes with local youths who hurled stones at them while the army fired gas bombs, rubber-coated bullets, gas bombs and concussion grenades leading to fifteen injuries. The soldiers went on to kidnap five residents and took them to an unknown destination.

Amani Sarahna, spokesperson of the Palestinian Prisoners Society (PPS), stated Thursday that the health condition of Safady is dangerously deteriorating.
She added that Sarahna agreed, on Thursday, to take liquids, but refused medications and vitamins.

Safady was kidnapped by the army more than six months ago, and was placed under solitary confinement without any charges.

He also participated in the previous massive hunger strike conducted by the detainees in July this year, and Israel promised to release him when his six-month administrative detention order ends.

But when the order expired, the Israeli Authorities issued four additional months of Administrative detention instead of releasing him as promised.

He is one of four Palestinian political prisoners who are currently holding open-ended hunger strikes; one of them is identified as Samer Al-Barq, 38; he also holds Jordanian citizenship and is married to a woman from Pakistan.

Al-Barq has been held under administrative detention orders, without charges or trial, since more than 18 months.

(www.imemc.org / 15.12.2012)

OPPOSITIELEIDER MAROKKO OVERLEDEN

RABAT – Abdessalem Yassine, de oprichter van de grootste religieuze oppositiebeweging in Marokko, is op 84-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn dochter Nadia donderdag bekendgemaakt.

Yassine was oprichter van Al Adl wal Ihsan, de Beweging voor Gerechtigheid en Spiritualiteit. De partij heeft honderdduizenden leden en is uiterst kritisch over de monarchie. Met name de quasi-religieuze titel van koning Mohammed VI, Bevelhebber van de Gelovigen, is de partij een doorn in het oog.

De partij sloot zich in 2011 korte tijd aan bij de democratiseringsbeweging 20 Februari en mobiliseerde haar ledenbestand voor grootschalige demonstraties ten tijde van de Arabische Lente.

(www.telemaroc.nl / 15.12.2012)