Als bekeerling heb ik de vrijheid gehad om de keuze voor islam te maken. Ik weiger dan ook elke vorm van beperking te accepteren die indruist tegen mijn gevoel van rechtvaardigheid in relatie tot mijn geloof. Ook al wordt deze opgelegd in de naam van religie.
Door: Anne Dijk
In een hadith werd mijn gedachte bevestigd; de Profeet v.z.m.h. zei: “Als je een hadith hoort waar je hart ontvankelijk voor is, waar zowel je lichaam als je geest vrede mee hebben, en je voelt dat het acceptabel voor je is, dan is het zelfs meer acceptabel voor mij. Maar als je een hadith hoort waar je haren van overeind gaan staan, en waartegen je hart en je geest zich keren, en je voelt dat het onacceptabel (baʿīd) is, dan is het nog meer onacceptabel voor mij[1] (overgeleverd door Bukhari en Hanbal). Ik had in het begin nooit echt stilgestaan bij de beperkende kant in de islam voor vrouwen, omdat die er volgens mij ook niet was. Althans zo had ik het opgemaakt uit de bronnen. Het bleek er in de praktijk wel eens anders aan toe te gaan, maar omdat dit voor mij onacceptabel leek besteedde ik er nooit veel aandacht aan. Mijn vraag naar vrouwelijke religieuze autoriteit in de islam rees echter toen ik een paar jaar geleden in Cairo was voor een studiereis.
We hadden daar een ontmoeting met de mufti van Al Azhar-universiteit, wat zeer zeldzaam is, omdat hij een belangrijk en drukbezet man is. (mufti = een hoog rechtsgeleerde die ook geautoriseerd is om fatwa’s uit te brengen) Iedereen mocht een vraag aan hem stellen, en overdonderd als ik was kon ik niets meer uitbrengen dan de vraag of het ook mogelijk is voor vrouwen om mufti te worden? Een moment van stilte volgde, en hij zag duidelijk dat ik een bekeerlingen met een westerse achtergrond ben, waardoor zijn antwoord mogelijk diplomatieker was dan normaliter. Hij zei dat dit in theorie mogelijk was, maar dat het in de praktijk niet snel zou gebeuren omdat vrouwen toch vaak andere prioriteiten hebben. Daarna ging hij snel door naar de volgende vraag.
Een paar jaar later bleek inderdaad dat dit niet snel zou gebeuren. Niet omdat een vrouw andere prioriteiten had, of omdat zij niet geschoold genoeg was, maar omdat de mannelijke raad van al-Azhar haar simpelweg niet koos. Dit betreft trouwens Souad Saleh, decaan van de theologische faculteit van al-Azhar, maar nog steeds geen mufti. Tot op heden zit er geen enkele vrouw in de grote raad van mufti’s van al Azhar. Dit was voor mij de aanleiding om te kijken naar vrouwelijke autoriteiten in de geschiedenis van de islam in het algemeen. Kunnen vrouwen bepaalde functies islamitisch gezien niet vervullen? Of willen mannen dat niet? Ik dacht altijd dat de schuld geven aan patriarchale interpretaties of een dominerende mannenwereld een te makkelijk en voordehand liggend antwoord was. Maar uit mijn onderzoek bleek niets minder waar.
Een rijke wereld aan materiaal opende zich toen ik onderzoek ging doen naar vrouwelijke autoriteiten in de geschiedenis in de islam. Ik zocht niet alleen geleerden, maar vooral vrouwen die invloed en macht hadden, ook over mannen. Voor mij zijn dit absolute autoriteiten. In de nu beschikbare tijd kan ik de hele geschiedenis van invloedrijke moslimvrouwen niet toelichten, maar ik kan wel een paar voorbeelden noemen. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk A’isha, de vrouw van de Profeet die niet alleen veel kennis bezat en doorgaf, maar die ook een belangrijke autoriteit, mufti en zelfs legeraanvoerder was. Maar vandaag kies ik voor minder bekende voorbeelden, op basis van diversiteit van de vrouwen en van hun boodschap. Ik wil daarmee niet alleen vertellen dat ze er waren, maar ook laten zien dat hun bijdrage nog steeds van belang is voor ons vandaag de dag. De vrouwen van toen zijn onze inspiratie voor het heden. De vrouwen van nu zijn de geschiedenis van morgen. De boodschap die zij vertellen, is voor mij universeel en kan dienen als absoluut voorbeeld, niet alleen voor vrouwen, maar ook voor mannen.
Rabi’a
De eerste vrouw waarmee ik u kennis wil laten maken is Rabi’a van Basra, ook wel Rabi’a al-Adawiyya genoemd. Zij stierf aan het einde van de tweede eeuw van de islamitische jaartelling (eind achtste eeuw van de chr. jaartelling) in Basra, Irak). Rabi’a is de bekendste moslimmystica. Zij staat bekend om de nadruk die zij legde op het liefhebben van God zonder daarbij te denken aan een beloning en was de eerste die dit begrip van ‘Goddelijke liefde’ ontwikkelde. De beroemdste anekdote uit het leven van Rabi’a is dat zij op een dag door de straten van Basra rende, met een brandende fakkel in haar ene hand en een emmer water in de andere. Toen mensen haar vroegen wat zij aan het doen was, zei ze:
“Ik wil het vuur van de hel doven, en de beloningen van het paradijs verbranden. Zij versluieren de weg naar God. Ik wil niet aanbidden uit angst voor straf of vanwege de belofte van een beloning, maar simpelweg alleen uit liefde voor God.[2]” Rabi’a was zeer toegewijd aan God, en aan God alleen. Alle huwelijksaanzoeken die ze kreeg, wees ze dan ook resoluut van de hand. Een man zou haar alleen maar afleiden van wat echt belangrijk was; God.
Rabi’a zelf schreef geen boeken; alles wat we over haar weten is opgeschreven door mannen. In de geschiedenis zijn er nauwelijks verhalen van vrouwen die zelf hun leringen opschreven. Waarom, dat blijft gissen. Schrijven konden ze vaak wel want het waren vaak grote geleerden. Dat het benoemen van vrouwen als leiders toen al een gevoelig punt was, zien we bijvoorbeeld aan de woorden van een bekende moslimschrijver uit de geschiedenis; Farid al-Din Attar, die zei: “Wanneer iemand mij vraagt, ‘Waarom heb je Rabi’a opgenomen in de rank van de mannen?’ Dan is mijn antwoord dat de Profeet zelf zei: ‘God houdt zich niet bezig met uw uiterlijke vormen.’ De kern van de zaak is niet vorm, maar intentie, zoals de profeet zei: ‘Mensen zullen worden gewaardeerd op basis van hun intentie.’ Daarnaast, als het gepast is dat wij twee-derde van onze religie afleiden van Aïsja (zoals dmv ahadith), dan is het toch zeker toegestaan om religieuze instructie te ontvangen van een volgeling van Aïsja’s (een vrouw).[3]” Er zijn veel verhalen over Hasan, de grote theoloog van Basra, die bij Rabi’a op bezoek ging. Zij brachten vaak hele nachten gezamenlijk door, in discussie en in gebed. Hun band was zo nauw dat hij haar zelfs aan haar ziekbed kwam bezoeken. Hasan en Rabi’a waren goede vrienden en Rabi’a vond vooral onder mannen haar discipelen en vrienden; er valt nauwelijks te lezen over haar omgang met vrouwen. Zij ging op gelijke voet om met de geleerden van haar tijd en zij prezen haar.
Opmerkelijk feit is dat Rabi’a zelf geen les kreeg van een sheikh of leraar. Haar leringen zijn uniek en van haarzelf. Prachtig vind ik haar inzicht van dat we Allah moeten aanbidden uit liefde voor Allah en niet uit angst voor bestraffing of verlangen naar beloning. Deze laatste motivaties zijn volgens mij uiteindelijk egoïstisch. Als we puur alleen het goede doen omwille van het Goede (met hoofdletter G) kunnen we onze intenties zuiveren van egoïsme en gaan voor oprecht altruïsme.
Nafisa
De tweede vrouw die ik graag wil belichten is de juriste Nafisa. Zij overleed aan het begin van de derde eeuw hijra (208). Nafisa was een nazaat van de Profeet v.z.m.h. Ze was getrouwd met Ishaq, zoon van de grote Imam Ja’far al-Sadiq. Hij was de oprichter van de Shi’itische Ja’fari madhab (wetschool). Imam Ja’far werd zeer gerespecteerd binnen zowel sunni als sjia kringen. Nadat Nafisa met haar man twee kinderen kreeg vertrok ze naar Cairo met haar nicht Sakina. Nafisa kende de Koran en de commentaren uit haar hoofd en bezat zoveel religieuze kennis dat zelfs haar tijdgenoot Imam Shafi’i, oprichter van de soennitische Shafi’itische-wetsschool, regelmatig naar haar lezingen kwam om te luisteren en met haar in gesprek te gaan. Shafi’i’s respect voor de kennis van deze vrouw was zo groot dat hij tijdens de Ramadan samen met haar de speciale avondgebeden (tarawieh) bad. Er wordt gezegd dat zij hem de profetische traditie heeft geleerd, voor hem bad als hij ziek was en op zijn verzoek aanwezig was bij zijn overlijdensgebed. Uit recent onderzoek blijkt zelfs dat zij Shafi’i’s begrafenisgebed leidde[4]; dus als imam fungeerde. Na haar dood wilde haar man Nafisa’s lichaam overbrengen naar Medina, maar de inwoners van Cairo smeekten hem om Nafisa bij hen te laten begraven. Haar graf is nog steeds te bezoeken in Cairo.
In dit verhaal komen twee belangrijke aspecten naar voren. Ten eerste wordt duidelijk dat er in die tijd een uitwisseling van gedachten gaande was tussen Sjiieten en Soennieten en dat zij zoveel respect voor elkaar hadden dat zij zelfs samen het gebed verrichtten en religieuze kennis van elkaar leerden. Daarnaast zien we dat Nafisa omringd werd door enkele van de belangrijkste mannen in de geschiedenis van de islamitische jurisprudentie en dat zij Nafisa’s kennis en wetenschappelijke autoriteit meer dan accepteerden. Zij was een gelijkwaardige partner met autoriteit voor hen, zowel in discussie als tijdens het gebed. Nafisa is voor mij een ultiem voorbeeld als het gaat om religieuze autoriteit op het gebied van kennisoverdracht op theologisch gebied. Haar verhaal is een mooi voorbeeld hoe we vandaag de dag, door verschil binnen de ummah (islamitische gemeenschap) te accepteren, een stap richting een vredigere ummah kunnen doen.
Vrouwelijke staatshoofden
Tot nu toe heb ik vrouwen genoemd die vooral op spiritueel gebied of op het gebied van religieuze kennis autoriteit bezaten. Maar een vrouwelijk staatshoofd in de islamitische geschiedenis lijkt onmogelijk, zeker afgebeeld tegen onze tijd waarin moderne landen als de VS nog nooit een vrouwelijk staatshoofd hebben gehad. Iedereen kent natuurlijk hedendaagse voorbeelden als Benazir Bhutto in Pakistan, maar er zijn veel meer vrouwelijke politiek leiders in de islamitische geschiedenis geweest. De meerderheid van de moslimgeleerden achten een vrouwelijke khalief (een soort keizer van het toenmalige islamitische rijk) niet mogelijk. Toch was Sitt al-Mulk khalifah voor een paar dagen (vanuit Cairo). Nu is een paar dagen niet veel dus zal ik meer substantiële voorbeelden in de islamitische geschiedenis belichten.
Zo regeerde Asma aan het eind van de 5e eeuw van de islamitische jaartelling over Yemen en zat ongesluierd besprekingen voor[5]. ‘Arwa, de schoondochter van Asma, nam het stokje van haar over. ‘Arwa had zelfs de macht over Yemen gedurende bijna een halve eeuw!
Het is opmerkelijk dat bijna iedereen deze vrouwen vergeten is. Zelfs Westerse islamkenners schijnen dit deel van de geschiedenis niet te kennen. Zo zei Bernard Lewis dat er “geen koninginnen in de islamitische geschiedenis zijn en dat het woord koningin, als dat al voorkomt, alleen gebruikt wordt voor buitenlandse heersers in Byzantium of Europa. Er waren een paar momenten waarin moslim dynastieën kort geregeerd werden door vrouwen, maar dit werd gezien als een dwaling en een wandaad.[6]”. Er zijn nog veel meer vrouwelijke staatshoofden, dus wanneer Lewis zegt dat er maar een paar waren, lijkt niet juist. Het vrouwelijke kalifaat lijken de meeste moslims inderdaad snel te willen vergeten, maar de Yemenitische geschiedkundige, hedendaagse én klassieke, verwijzen niet naar deze malikaat (koninginnen) als schandalig, maar juist als prestigieus en zij bestempelen bovenal hun regeerperiode als succesvolle momenten in hun geschiedenis. Sommige geschiedkundigen vergelijken hun heerschappij zelfs met de invloed van sommige imams en zeggen: ,,’Arwa heeft monumenten, gebouwen, wegen, moskeeën en nog veel meer achtergelaten. Veel meer dan werd bewerkstelligd gedurende een lange periode van macht van imams[7]”.
Uitzondering versus Normaal
Nu lijken deze vrouwen uitzonderingen, en in de Arabische context misschien gevallen apart. Ergens anders in de wereld was het de normaalste zaak van de wereld dat vrouwen als koningin de boel regeerden.
Ibn Battuta, de islamitische Marco Polo, reisde vanaf Tanger als islamitische rechtsgeleerde de hele toenmalige islamitische wereld rond. Zo kwam hij ook op de Malediven, wat tegenwoordig overigens het enige land ter wereld is met een moslimpopulatie van 100%. Dit maakt het niet alleen een heel geliefde honeymoon bestemming, maar ook nog eens een “halalle” en misschien daarom dat Ibn Battuta daar zelf ook getrouwd is. Hoe dan ook, in Ibn Battuta’s reisverslagen kunnen we lezen dat de Maledivers een vreemde gewoonte hadden; Zij werden namelijk geregeerd door een vrouw. Er waren drie Sultana’s daar (nee, niet de koekjes, maar echte vrouwelijke Sultans), en nog eens vier in islamitisch Indonesië.[8] Ibn Battuta noemde het vreemd, maar heeft het nooit afgekeurd of verworpen. Hij stond zelfs met zijn mond vol tanden toen hij Sultana Khadija ontmoette.[9] Ibn Battuta, zelf een qadi (rechter) afkomstig uit een redelijk strikte regio van de Maghreb, vond het geen fantastische gewoonte voor moslims, maar reageerde toch vol lof over de kwaliteiten en capaciteiten die deze Maledievse vrouwen bezaten. Khadija regeerde 33 jaar! Na haar nam haar zus Myriam het over en daarna diens dochter Sultana Fatima. Ibn Battuta was uiteindelijk zo te spreken over deze vrouwen dat hij de stiefmoeder van de Sultana trouwde. Hij schreef uitgebreid over hun goede karakter die hij als meest integer, vroom, solide in geloof en oprecht omschreef. De Maledivers waren de beste moslims die hij had ontmoet.
Er was alleen één ding wat hij toch echt niet leuk vond; de Maledievse vrouwen liepen er namelijk half naakt bij; zo schrijft hij ,,de vrouwen van deze eilanden bedekken hun hoofd niet, ook hun koningin niet, maar ze kammen hun haar en voegen het samen aan een kant. De meesten van hen dragen alleen een wikkelrok welke hun middel tot aan hun knieën bedekt, maar de rest van hun lichaam blijft onbedekt. Zo lopen ze dan over de bazaar en overal. Toen ik Qadi werd wilde ik deze praktijk tot een einde brengen en beval hen om kleren te dragen; maar ik kreeg het niet voorelkaar.[10]” Hij kreeg alleen voorelkaar dat ze hun lichamen bedekten in zijn shari’a rechtbank. Ondanks dit kleding issue, had hij toch een zeer hoge dunk van de Maledievse vrouwen en hij vergelijkt hen later nog met de goed bedekte dames van Indonesië, waarbij de onbedekte Maledievse vrouwen toch echt beter afstaken qua karakter en gedrag. Nu moeten we niet denken dat hij heel liberaal was; want de mannen die niet naar juma (het verplichte vrijdaggebed) kwamen werden kaalgeschoren en zo door de bazaars geleid ter vernedering. Ibn Battuta heeft echter nooit sancties gelegd op de gebrekkige kleding van de maledievse vrouwen.
Twee zaken in dit verhaal van ibn Battuta vind ik vandaag nog interessant. Allereerst, het gegeven dat het in de achtste eeuw van de Islamitische jaartelling normaal was voor moslimvrouwen om te regeren. Het was misschien even ánders dan ibn Battuta gewend was, maar het werd niet afgekeurd, nog tegengewerkt. En een tweede; dat de vrouwen, zonder dat ik dit gebruik zelf wil onderschrijven, maar dat zij toch de keuze qua kleding hadden, en ook vrij waren om zichzelf te blijven. Desondanks werden ze door Ibn Battuta als goed en zelfs als vroom omschreven. Dit is voor mij een ultiem voorbeeld dat het qua goede moslim zijn, niet om het uiterlijk maar om het innerlijke karakter en gedrag draait.
Tot Slot
De kritische luisteraar is het misschien opgevallen dat in alle verhalen die ik vertelde, de autoriteit aan vrouwen verleend wordt door mannen. Dit heeft verschillende oorzaken; maar de belangrijkste heeft simpelweg te maken met wie de ‘overleveraars’ van de informatie waren; en dat waren mannen.
De vraag die op het eind bij mij rees was; waarom is er ondanks zoveel materiaal van vrouwelijke autoriteiten in de geschiedenis van de Islam, zo weinig bekendheid hierover? Er is nog weinig onderzoek naar gedaan, maar velen hebben aangekaart dat vrouwen structureel uit de geschiedschrijving gebannen zijn; dit is overigens niet alleen zo in de islamitische geschiedenis, maar in alle patriarchale culturen, die nagenoeg bijna de hele wereld behelsden (grof gezegd). Boeken werden herschreven maar dan zonder de vrouwelijke verhalen; die werden eruit gefilterd. Of soms nog makkelijker, de verhalen over vrouwen werden er gewoon uitgescheurd. Soms werden boeken zelfs geheel verbrand.[11]/[12] De geschriften die bewijsmateriaal bevatten van vrouwen met autoriteit en die nog wel bewaard zijn, zijn vaak nog onvertaald dus nauwelijks toegankelijk, of zwaar bediscussieerd en worden divers geïnterpreteerd of als feministisch afgedaan. Zo is er de hadith van Umm Waraqah, die expliciet toestemming/ opdracht kreeg van de profeet om voor te gaan in het gemengde gebed van haar huishouden vanwege haar excellente kennis van de Koran. Deze hadith wordt nog wel volledig in vroege hadiethverzamelingen vermeld, maar in latere hadithverzamelingen wordt alleen nog maar gesproken wordt over haar excellente kennis maar staat er niets meer over het voorgaan in gebed.[13] Er is dus meer onderzoek nodig om nog meer verhalen toegankelijk en bekend te maken om zo een nieuw bewustzijn te creëren. Niet alleen over het bestaan van deze vrouwen, maar ook over hun boodschap en hun autoriteit.
Iemand vertelde me eens; “importeer nooit andermans beperkingen”; als er dus gezegd wordt dat vrouwen bepaalde functies niet kunnen bekleden; mógen wij daar kritische vragen bij stellen. Dit heb ik ook gedaan. Zoals ik hier nu sta; ik ben geen uitzondering. Wij allemaal zijn geen uitzondering, net zo min als de vrouwen in de geschiedenis. Mensen zeggen wel eens; “leuk Anne, die verhalen over deze vrouwen, maar dat zijn de uitzonderingen”. Mijn antwoord is dan; “Goh, dan zijn er wel heel veel uitzonderingen en ook wel veel autoritaire uitzonderingen. En dit zijn slechts de “uitzonderingen” waarvan we afweten”. Vrouwelijke visies, daadkracht en de geschiedenis van invloedrijke vrouwen zijn te lang ondergewaardeerd en onderschat geweest. Het is tijd voor een nieuw bewustzijn. Een nieuw bewustzijn van invloedrijke moslimvrouwen, waarmee ik hoop dat we uiteindelijk kunnen werken naar het ideaal dat de eerste man in mijn verhaal eeuwen geleden al bepleitte: “God houdt zich niet bezig met uw uiterlijke vormen. De kern van de zaak is niet vorm, maar intentie”.
Door de geschiedenis te herschrijven denk ik dat we de kracht kunnen vinden om vanaf nu opnieuw geschiedenis te schrijven. Een zelfbewuste, inspirerende geschiedenis met nieuwe inzichten. Ten slotte wil ik jullie de wijsheden van de genoemde vrouwen nogmaals meegeven: Rabi’a’s wijsheid van het niet fixeren op anderen, maar op de intentie van de religie in jezelf; het aanbidden van Allah uit liefde voor Allah, in plaats van het aanbidden van de beloning. Nafisa’s voorbeeld als vrouwelijke geleerde en autoriteit, maar vooral haar dialoog binnen de Ummah. Het uitwisselen van gedachten en het samen bidden en discussiëren – het kan dus wel. En het politieke leiderschap van de Malika’s van de Jemen, maar ook van de Sultana’s van de Malediven. Ibn Battuta accepteerde hun leiderschap. En de Maledievse vrouwen bleven gewoon wie ze waren, en kun karakter en gedrag werden toch geprezen, wat aantoont dat het niet om het uiterlijk draait maar om het innerlijk en gedrag. Allahu ‘Alem.
Anne Dijk is religiewetenschapper. Bovenstaande tekst werd door haar uitgesproken tijdens het 30-jarig jubileum van Al Nisa op 22 september 2012. Voor meer informatie hierover: www.alnisa.nl.
[1] (Ibn Saʿd, Kitāb al-Ṭabaqāt al-kabīr,1:333; Ibn Ḥanbal (d. 241/855), Musnad Ibn Ḥanbal 3:497, 5:425; Bukhārī, al-Tārīkh al-kabīr, 5:259).
[2] Attar, Farid al-Din., ’Muslims Saints and Mystics. Episodes from the Tadhkirat al-Auliya’ (‘Memorial of the Saints’)’, Translated by A.J. Arberry. London: Routledge & Kegan, 1983, p. 51 zie ook Munawi, al-Kawakib al-Durriya vol. 510 and Sibt Ibn al-Jawzi, Mir’at al-Zaman vol. 265 b.
[3] Farid al-Din Attar, ’Muslims Saints and Mystics., p. 40
[4] Kecia Ali: The Jurist and the Saint: Sayyida Nafisa, Biography, and the Construction of Muslim Women’s Authority. CURA Conference, January 24th2012.
[5] Fatima Mernissi, The Forgotten Queens of Islam, p. 115
[6] Bernard Lewis, The Political Language of Islam, Chicago, University of Chicago Press, 1988, p. 66
[7] ‘Abdallah Ahmad Muhammad al-Thawr, via The Forgotten Queens of Islam, p. 117
[8] Fatima Mernissi, The Forgotten Queens of Islam, p. 107
[9] Ibn Battuta, Tuhfa al-Nuzzar, IV, p. 122 ff, via: Margareth Smith; Rabi’a the Mystic and her fellow saints in Islam, London, Cambridge University Press, 1984, p. 128
[10] Ibn Battuta, edited by: Tim Mackintosh-Smith, The Travels of Ibn Battutah,Chapter on Maldives, Picador, Oxford, 2002, p. 231-242
[11] Introduction of Fatima Mernissi, The Forgotten Queens of Islam, translated by Mary Jo Lakeland, University of Minnesota Press, Minneapolis, 1993
[12] For example, during the reign of caliph al-Mansur (580/1184-595/1198), Maliki writings were burnt, because his opinion was that Malikism derived too far away from the Quran and the sunna. See Maribel Fierro, the Legal Policies of the Almohad Caliphs and Ibn Rushd’s Bidayat al-Mujtahid, p. 236
[13] Asma Afsaruddin, The First Muslims; History and Memory, Oxford, Oneworld, 2008, p. 164, 190-192 en 224
(www.nieuwemoskee.nl / 28.09.2012)