‘Het onderscheid tussen islam en politieke islam is niet legitiem’

President Erdogan van Turkije.

Bij het onderscheid tussen islam en islamisme kan men kritiek leveren op het islamisme, zonder kritiek te hebben op de islam an sich. Op deze manier wordt vermeden dat een gehele religie bekritiseerd wordt. Deze nobelheid impliceert echter niet de legitimiteit van het onderscheid. Dat betoogt student psychologie en islamologie Timon Dias.

Het doel van het bedrijven van wetenschap is het zo correct mogelijk kunnen duiden van de realiteit. In maatschappelijke context ziet de wetenschap het veelal als taak te zorgen dat gewichtige discussies in de juiste termen en formuleringen worden gevoerd. Dit geldt ook voor het islamdebat dat al ruim een decennium in volle gang is.
Het is echter deze wetenschap, met name de islamologie, die het islamdebat vanaf het begin heeft voorzien van een misleidend en simpelweg foutief paradigma. Het betreft hier het onderscheid tussen islam en politieke islam, ook wel islamisme.

In het licht van de islamitische opleving die zich voltrekt in de nasleep van de Arabische revoluties, verdient het aanbeveling dit paradigma kritisch te beschouwen.

Onderscheid
Het onderscheid tussen islam en politieke islam is wijd verbreid. In zowel academische als politieke kringen gebruikt men, op de PVV na, de term politieke islam om islamitisch activisme te duiden. De term ‘islamisme’ is echter een westerse vinding. Door ‘isme’ achter islam te zetten geeft men aan dat het bij islamisme om een ideologie gaat, net als nationaal socialisme of communisme.

‘Islamisten’ kennen geen onderscheid tussen islam en islamisme. Zij noemen zichzelf moslim en hun ideologie islam. Dit onderscheid kan zelfs als beledigend worden opgevat. Zo stelde de huidige islamitische premier van Turkije, Recep Tayyip Erdogan in reactie op de westerse beschrijving van zijn AK partij als gematigd islamitisch: ‘These descriptions are very ugly, it is offensive and an insult to our religion. There is no moderate or immoderate Islam. Islam is Islam and that’s it’.

Dit doet de vraag rijzen waarom men in het Westen dit onderscheid dan wel maakt. De intenties achter dit onderscheid zijn nobel; bij het onderscheid tussen islam en islamisme kan men kritiek leveren op het islamisme, zonder kritiek te hebben op de islam an sich. Op deze manier wordt vermeden dat een gehele religie bekritiseerd wordt en probeert men te voorkomen dat gematigde moslims, die zich ook aangesproken zien onder de noemer ‘islam’, beledigd raken. Deze nobelheid impliceert echter niet de legitimiteit van het onderscheid.

Heikel punt
Het hoofdkenmerk van de politieke islam is de expansiegerichtheid en het (uiteindelijk) ongeldig verklaren van niet-islamitische wetgeving. In Ottomaanse tijden hadden niet-islamitische minderheden nog recht op hun eigen wetgeving, onder het zogeheten millet-systeem. Dit is echter tegenwoordig niet meer van kracht in islamitische staten als Iran en Saoedi Arabië. Het probleem met het onderscheid tussen islam en politieke islam, is dat het suggereert dat de islam zelf de bovengenoemde eigenschappen niet bezit. Nu is de vraag wat ‘de islam’ eigenlijk is, altijd een heikel punt.

Maar als het aan de professionele voorhoede en de schriftgeleerden van de islam ligt, is ‘de islam’ toch min of meer een afspiegeling van zoals profeet Mohammed de religie zelf beleefde en bedoeld heeft. Er kan met recht gesteld worden dat de islam die profeet Mohammed beleed, een intense vorm van politieke islam was. Tijdens zijn leven veroverde Mohammed het Arabische schiereiland, en na zijn dood is er in de naam van Allah en zijn gezant Mohammed, een islamitisch rijk gesticht dat zich uitstrekte van het Iberische schiereiland tot aan Afghanistan. Het is dan ook geen toeval dat de expansiedrang duidelijk doorklinkt in de heilige islamitische rechtsbronnen, de Koran en Hadith. Mohammed was een profeet, maar net als velen in zijn tijd was hij ook een krijgsheer. En hij deed wat krijgsheren doen: veroveren.

De significantie hiervan is dat elk aspect van het leven van Mohammed in de islamitische theologie nastrevenswaardig is, aangezien Mohammed tijdens zijn leven door Allah van zonden werd beschermd. Om deze reden is de expansiedrang inherent aan de islamitische religie.

Dominante beweging
De islam is net als het christendom een missionaire religie, maar het verschil is dat de islam daarbij ook nog een vrij alomvattende en gedetailleerd wetsysteem kent. Ook is het christendom middels de ‘centrifuge van verlichting’ verworden tot een privégeloof en bezigt slechts een marginale groep zich met een christendom dat volstrekt incompatibel is met de moderniteit. Over de islam kan zo’n stelling simpelweg niet verdedigd worden. Geen enkele politieke stroming in de islamitische wereld kan zich qua organisatiegraad en financiële mogelijkheden meten met ‘islamisten’ en de ongekende populariteit van deze stroming in de nasleep van de Arabische revoluties illustreren dat zij bepaald geen marginale beweging zijn, maar de dominante.

De sharia is het wetssysteem dat volgens de islamitische rechtsbronnen zou moeten gelden voor alle moslims, evenals voor alle ongelovigen nadat zij zich bekeerd hebben. De sharia stelt ook onomwonden dat de gehele wereld aan de islam toebehoort en dat het de heilige plicht van moslims is om dit te bewerkstelligen.

De Organisatie van de Islamitische Conferentie (O.I.C) is de organisatie waarbij alle islamitische landen zijn aangesloten. Het is een islamitisch orgaan, maar bedrijft een niet te miskennen vorm van ‘politieke islam’. Maar als alle islamitische landen deze vorm van islam onderschijven, dan is het toch ‘de islam’?

Het islamitische antwoord
In 1990 bracht de O.I.C de Cairo-verklaring van de mensenrechten in de islam uit. Het geldt als het islamitische antwoord op de uit 1945 stammende Universele verklaring van de rechten van de mens. Deze verklaring wijkt op essentiële punten af van de Universele verklaring. Zo beperkt artikel 22 de vrijheid van meningsuiting tot meningsuitingen die in overeenstemming zijn met de sharia. Ook sluit artikel 10 de vrijheid van godsdienst uit, het is als moslim verboden uit de islam te treden of zich te bekeren. Ook regelt artikel 6 een fundamentele rechtsongelijkheid van mannen en vrouwen, en artikel 24 en 25 stellen dat alle rechten en vrijheden onderschikt zijn aan de sharia en dat de sharia als enige referentiebron ter uitleg en verduidelijking van de Verklaring mag gelden.

Daarbij zijn er in de islamitische wereld geen gezagdragende instituties die de islam reduceren tot privégeloof, en de expansiedrang achterwege laten. Ook zijn er geen gezagdragende instituties die, mede blijkens de Cairo verklaring, civiele wetgeving bovengeschikt achten aan de heilige islamitische wetgeving. Het westen hoeft niet te bepalen wat ‘de islam’ is, dat doet de islamitische wereld zelf.

Het huis van de zending
In de islamitische traditie wordt de wereld opgedeeld in drie ‘huizen’. Het reeds islamitische deel van de wereld heet de ‘dar al- islam’, het huis van de islam. Het niet- islamitische deel van de wereld staat te boek als ‘dar al- harb’, het huis van de oorlog. De gebieden waar een wapenstilstand van kracht is, heet ‘dar al- suhl’, het huis van verdrag. Sinds het duidelijk werd dat permanente vestiging van moslims in de niet islamitische wereld een feit was, hebben islamitische schriftgeleerden een nieuw ‘huis’ ontwikkeld. Het betreft de ‘dar al- dawa’, ofwel het huis van de zending.

Het huis van de zending is het gebied dat middels islamitische propaganda, zending, religieuze voorlichting en dergelijke geïslamiseerd dient te worden. Sinds de wereld in zijn geheel iets beschaafder is geworden en oorlogsverklaringen tussen landen niet meer aan de orde van de dag zijn, heeft ook het concept van de dar al- harb aan gehoor verloren. Feitelijk gezien heeft de dar al- dawa het concept van de dar al- harb verdrongen, behalve in gewelddadig islamistische kringen.

Wat opvalt aan deze vier huizen, is dat er bij allen een expansiedrang in besloten ligt. Zelfs het huis van verdrag impliceert in de islamitische traditie, middels het verdrag van Hudaibiya, dat de strijd hervat dient te worden zodra het leger weer op krachten is. Er is in de islamitische leer geen toestand die aangeeft dat een streek niet onderworpen hoeft te worden.

Omdat de expansiedrang en de exclusieve rechtsgeldigheid van de sharia voor moslims, een intrinsiek onderdeel zijn van ‘de islam’, is het onderscheid tussen islam en politieke islam niet legitiem.

Een onderscheid is echter wel degelijk nodig, aangezien er veel moslims zijn die een vorm van islam belijden zonder expansiedrang en met oprecht respect voor niet-islamitische wetgeving. Het kan hierbij gaan om de gewone privé beleving van de islamitische religie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de onlangs nog belaagde islamhervormster Irshad Manji. Maar denk ook aan sufi genootschappen als de Barelvi, die hun accent leggen op spiritualiteit en al sinds hun conceptie in 1857 zijn verwikkeld in een strijd tegen het Wahabisme en de Deobandi school die de Taliban belichaamt.

Tolerant 
Ongeacht de in essentie agressieve aard van de islam, kunnen moslims toch een islam belijden die verenigbaar is met de moderniteit. Maar dit betekent niet dat ‘de islam’ tolerant en vredelievend is. Dit betekent dat deze vorm van islam tolerant is omdat deze moslims de intolerante delen van hun religie links laten liggen.

Als dat is hoe iemand (mits oprecht) zegt zijn religie te beleven, wie is een ander dan om te zeggen dat hun vorm van islam toch een totalitaire ideologie is? Eigenlijk niemand.

Het onderscheid tussen islam en politieke islam deugt niet, maar er is dus wel degelijk een onderscheid nodig. Wil men de realiteit dekken, dan dient er juist een onderscheid gemaakt te worden tussen islam en niet-politieke islam. Op deze manier is het immers onmogelijk elke vorm van islam weg te zetten als een totalitaire ideologie, omdat het vormen van niet- politieke islam in hun bestaan erkent. Tegelijkertijd eert het onderscheid de realiteit door te bevestigen dat islamisten geen geperverteerde vorm van islam belijden, maar slechts hun islamitische traditie trouw zijn.

Dit wel legitieme onderscheid kent wel een wat ongemakkelijke implicatie. In lijn met dit onderscheid worden islamisten namelijk niet meer als zodanig geduid, maar als moslims. Een schrale troost is dat ‘islamisten’ dit zelf nooit anders gedaan hebben, zij noemen zich moslims en geen islamisten.

De moeilijkheid ligt hem nu in de vraag: hoe noemt men moslims die een islam belijden die oprecht verenigbaar is met de moderniteit, en waar expansiedrang geen deel van uitmaakt? Privé moslims? Niet- politieke moslims? Gereformeerde moslims? Hervormde moslims? Gematigde moslims is een term die reeds te bevuild is, aangezien deze ook is toegepast op Moslimbroeders als Yusuf al- Qaradawi en Tariq Ramadan.

Juiste naam
De keuze is als volgt: kiest het Westen er willens en wetens voor een probleem niet bij de juiste naam te noemen, omwille van de eigen gemoedsrust en uit angst voor lastige discussies? Of kiest men voor een terminologie die de realiteit wel dekt door er niet omheen te draaien dat expansiedrang en het uiteindelijk ongeldig verklaren van niet-islamitische wetgeving inherent is aan de islam, maar tegelijkertijd vormen van niet- politieke islam in hun bestaan erkent?

In de nasleep van de Arabische revoluties zal het ware gezicht van ‘de islam’ zich openbaren, en het Westen kan hier maar beter op voorbereid zijn. Het hanteren van een paradigma dat de realiteit wel dekt, zou een goed begin zijn.

Timon Dias is student psychologie en islamologie aan de Universiteit Leiden.

(www.volkskrant.nl / 20.12.2011)

Excuses leger Egypte over behandeling vrouwen

Een Egyptische vrouw houdt de foto waarop de mishandeling te zien is omhoog

De Opperste Raad van het Egyptische leger heeft spijt betuigd voor de behandeling van vrouwelijke betogers. De legertop reageerde op de ophef die in Egypte en in het buitenland is ontstaan over beelden van militairen die de kleren van een gesluierde betoogster wegrukten.

In een verklaring stelde de legertop dat militairen vrouwelijke betogers met respect moeten behandelen. Het leger liet weten dat maatregelen volgen tegen militairen die verantwoordelijk zijn voor geweld tegen vrouwen.

Honderden vrouwen waren in de hoofdstad Caïro de straat opgegaan om te protesteren tegen de behandeling van betoogsters door de veiligheidstroepen. Ze droegen foto’s bij zich van de actievoerster van wie de kleren waren weggetrokken.

Eerder had de Amerikaanse minister Clinton (Buitenlandse Zaken) de Egyptische behandeling van vrouwen schokkend en een schande voor de staat genoemd. ‘Vrouwen worden geslagen en vernederd in dezelfde straten als waar ze enkele maanden geleden hun leven riskeerden voor de revolutie’, zei de bewindsvrouw.

(www.parool.nl / 20.12.2011)

Clashes as Israeli forces raid Tulkarem, nearby camp

An Israeli soldier fires tear gas at Palestinian protesters during a demonstration near Ramallah
TULKAREM (Ma’an) — Israeli military vehicles raided Tulkarem and its refugee camp Tuesday afternoon, witnesses said, and clashes erupted between the troops and locals.

Witnesses said five Israeli army vehicles moved into the eastern area of the city where clashes erupted. Palestinians threw rocks at the troops fired bullets and tear gas grenades in return.

The vehicles were also seen in the Tulkarem refugee camp.

No detentions or injuries were reported.

(www.maannews.net / 20.12.2011)

United Nations expert slams Israel over lack of freedom of expression

After a visit to Gaza, the West Bank, East Jerusalem and Israel as part of a 12-day fact-finding mission by the Special Rapporteur on the promotion and protection of the right to freedom of opinion and expression Frank La Rue, the independent United Nations human-rights expert urged authorities in Israel and the occupied Palestinian territory to lift restrictions to freedom of expression.

He stressed that these are curbing minority views and dissenting opinions, and they prevented journalists and human rights defenders from reporting on rights violations.

La Rue said: “Truly democratic societies are measured by their respect of human rights, and in particular the right to freedom of expression as a ‘facilitator’ of all other rights. Freedom of expression does not only include expression of views that are widely accepted by the majority of the population or reflect the government’s policies, but also minority views and dissenting opinions.”

He became the first independent UN expert charged with monitoring and reporting on the right to freedom of opinion and expression to make an official visit to the region. During his visit, he met with senior Government officials representatives of civil society, lawyers, human rights defenders, and journalists. From these meetings, he was able to find some problems with the current situation regarding journalists and human rights defenders in the region not being able to carry out their work. He expressed concern over the fact that there was a “trend of arbitrary arrests and overnight detention” of the journalists and defenders occurring and this causes “self-censorship”.

In Israel, there is also an individual appointed to the government’s post of chief censor, who decides whether information gathered by journalists poses a threat to State security and if it can be published in the media. The problem that was found with this is that it was a body set up for the prior censorship of the press, and as La Rue said, it “should not exist in any country”.

Additonally, La Rue urged Israeli authorities to guarantee the right to freedom of expression to Palestinian Arab citizens of Israel, who make up about 20% of the population, and Arab members of the Knesset, the country’s parliament.

Earlier this year, a controversial law was passed which made it a civil offence to call for an economic, cultural, or academic boycott of people or institutions in Israel or the Occupied Palestinian Territories (OPT) for political reasons. Anyone making such calls could face a lawsuit and other financial penalties. Additionally, the law also allows the finance minister to revoke the tax-exempt status of NGOs calling for a boycott, which threatens the funding on which many Israeli human rights NGOs rely. Companies or organizations participating in a boycott could also be disqualified from applying for government contracts.

These are just a few of the examples of the trend that La Rue was indicating about occurring in Israel. Nevertheless, one thing is for sure, the issue of freedom of expression is alive and kicking in Israel…not for the reasons it should be, but because it is being held hostage.

(www.neurope.eu / 20.12.2011)

182 states back Palestine right to self-determination

NEW YORK (Ma’an) — The UN General Assembly adopted on Monday a draft resolution on the right of the Palestinian people to self-determination, according to Palestinian ambassador to the UN Riyad Mansour.

The resolution, says Mansour, was adopted by a vote of 182 in favor to seven against (Canada, Israel, Marshall Islands, Micronesia, Nauru, Palau and the US), with three abstentions (Cameroon, South Sudan, and Tonga).

Mansour highlighted that the resolution would have the UN General Assembly reaffirm the right of the Palestinian people to self-determination, including the right to their independent State of Palestine.

It would also urge all states, as well as the specialized agencies and organizations of the UN, to continue to support and assist the Palestinian people in the early realization of their right to self-determination.

(www.maannews.net / 20.12.2011)

Arab Spring puts woman’s rights in the spotlight

A woman with her face painted in the colors of the Kingdom of Libya flag attends a protest against Libyan leader Moammar Gadhafi.
By Marie-Louise Gumuchian

TRIPOLI (Reuters) — At a pre-wedding evening party in central Tripoli, a group of Libyan women sing traditional songs to the beat of a drum as they prepare to apply henna to the bride’s hands and feet.

Clapping her hands to the music as she waited for the bride to appear, 23-year-old Sarah Burruin said she has just one wish for women in the new Libya.

“I want women to be equal,” the engineering student said. “Whatever men do, I want women to be able to do it too. This is our time.”

In post-revolution Libya, Egypt and Tunisia, women are exploring what the Arab Spring means for them.

Since long-time leaders were toppled in the three north African states, many — not least in the West — fret the power vacuum will leave the door open for Islamist groups to take power and force changes that will damage women’s rights.

In Tunisia Islamists have already risen to power while in Egypt, they are leading staggered elections and have pledged to govern by Islamic laws.

In Libya, National Transitional Council chief Mustafa Abdel Jalil alarmed many when he pledged to uphold Islamic law and ease polygamy rules in a speech to mark Libya’s “liberation” from Moammar Gadhafi’s 42-year rule, though he has since played down any suggestion of radical Islamist rule.

“I think where the Islamic laws will eventually bite is the rights of women. They already have declared (in Libya) that polygamy rules will be relaxed and who knows where that is going to go,” said Laleh Khalili, senior lecturer in Middle East Politics at the University of London.

Tensions in Tunisia

In Tunisia, where the Arab Spring was born when President Zine al-Abidine Ben Ali was forced to step down, “secular” women have mobilized to defend their western lifestyles after the Islamist Ennahda party swept to power in the country’s first free election, including claiming almost all the seats won by women.

Women are lobbying the political parties to protect a pioneering 1956 law granting them full equality with men and to counter the pressure mounting from radical Muslims keen to push them back into traditional roles.

“I have never been so worried about women’s freedom as I am now,” said Saida Garrach, a lawyer and activist in the Tunisian Association of Democratic Women.

“The threat is everywhere – on what women wear, how they think. If you are not with them (Islamists), they will insult you, harass you. I’ve been sworn at in the street because of things I have said on television.”

While Ennahda has promised not to impose strict Muslim rules on society and to respect women’s rights, many secularist women say they do not believe these promises.

“Ennahda cannot make any threats now because everyone will turn against them,” said 30-year-old Houda Ben Zid, an insurance worker who wears the hijab. “But they could do something later. Our way of life could be threatened.”

A small contingent of Salafists – hard-line Islamists not associated with Ennahda – have sought to implement their purist interpretation of Islam and overturn secularist laws.

Some have demanded segregated classes and the right for women to wear full face veils at university, spurring clashes with secular students.

In Egypt, the Islamist Muslim Brotherhood and the ultra-conservative Salafi party have claimed the most seats in the first two rounds of a parliamentary poll, the first free ballot in the Arab world’s most populous nation since President Hosni Mubarak was ousted in February.

Both parties advocate a more Islamic society but tell voters although they want more morality in public life they won’t impose Islamic moral codes and veils on women.

Campaigners say Egyptian women face some of the harshest treatment in the world: domestic violence, harassment and discrimination at work and in the law. Forced marriage of young girls is still common outside big cities.

Feminists say there is no better time to unite because the main factor that split the women’s movement — its domination by former first lady Suzanne Mubarak — has disappeared.

“It is known that the former president’s wife was the one behind any development on women rights and I fear that the new parliament seeking to gain popularity among the people will seek to eliminate those rules,” said Egyptian analyst Negad Borie.

A role, yes, but what kind?

Although there is no doubt that Islamists will play an important role in the three states rocked by the Arab Spring, how those roles evolve will be shaped by each country’s unique social and cultural landscape.

Observers say Libyan society is more conservative than in Egypt and Tunisia.

“Egyptian women are strong, here is not like Libya. If they (Islamists) asked to pass stricter laws on women, the Egyptian society will not accept that,” said Samah Ahmed, an employee in Egypt’s Postal Service.

“We will not accept such thing and will go to the streets and make a big deal.”

Sitting in a Tripoli beauty salon waiting to get her hair cut, Jamila says she believes the majority of her countrymen practice moderate Islam.

“Libya is moderate but we fear extremists,” she said.

The 60-year-old was disappointed by NTC head Abdel Jalil’s comments on polygamy because they implied men would no longer need written permission from their wives to have another spouse.

“I like the fact that a man has to ask for permission to marry another woman, it protects women’s dignity,” she said.

Others considered the tone and timing of the speech and ceremony a slap in the face to women.

“I support Islamic values. I understand that in the Koran it says you can marry four women, no problem with that. I do not like when he said it, Liberation Day; there are more important issues than polygamy,” said Alaa Murabit, a student doctor and co-founder of the Voice of Libyan Women organization.

“What made me angry was that a woman didn’t speak on Liberation Day. Have her speak on that international stage that day – it would have sent a very different message.”

Murabit last month organized post-war Libya’s first international women’s conference, which was attended by the country’s new leaders, including Abdel Jalil.

When he took the stage this time, he took care to enumerate the many ways women had supported and led Libya’s revolution and promised women would play an important role rebuilding the country.

There are a few women in the new government, including the ministers for health and social affairs.

As the country rebuilds after eight months of war, Libyan women are laying out their vision for a new beginning. Numerous women’s organizations have sprung up since Gadhafi’s overthrow, creating meeting centers and holding awareness lectures and workshops on social, political and business issues.

“For now we just want enough women to go to elections, this alone is a huge challenge,” said Amira Alshokri, co-founder of Tripoli-based NGO Phoenix. She said Phoenix had recently sent out thousands of invitations to women for a free “Know your rights” lecture, but only 50 showed up.

“In this sensitive time you would think this topic would trigger women to come … (Women) became too lazy to act because they knew their voice would not be heard, make a difference. This is what we’re working on right now, we want to raise awareness.”

A change is already apparent, said Ines Miloud.

The 21-year-old student says there are more women out and about in her small town of Yifran in Libya’s Western Mountains, as opposed to before the revolution when most women tended to stick to more traditional roles in the home.

“Before I would wake up, go to college and come back home. Now I am out all day,” she said. “My mother says: ‘You are like a boy’.”

Miloud has co-founded an association in the Western Mountains to promote women’s rights.

“We have a lot of talented women but they were just buried. They are still afraid from the Gadhafi era. We are trying to show them that they are free.”

Activists say it’s not just women who need to speak out, and not just on women’s issues.

“I think it will take much more to change the mentality in Libya. Everybody’s focusing on women’s development and women’s education … and they’re forgetting it’s not just women. It’s national development and national education,” Murabit said.

“Every woman has a different aspiration. I think the overall aspiration is to respect each woman’s individual choice.”

(www.maannews.net / 20.12.2011)

Great Britain Donates £14.6 to Further Education in Gaza

During an official visit by the Department for International Development (DFID) to Gaza, the United Kingdom has pledged millions to help alleviate the pressure facing United Nation schools across the Gaza strip, with the money being earmarked to build a dozen new schools, and provide places for up to 24,000 students, half of whom will be girls.

UKAID Emblem, photo by eauc.org.uk
UKAID Emblem, photo by eauc.org.uk

International Development Secretary, Andrew Mitchell, visited Gaza for the first time, to asses the work the United Nations Relief and Works Agency (UNRWA) is doing in educating the children of the Gaza Strip. Seeing the desperation and the appalling conditions faced by school children up and down the besieged costal strip first hand, appears to have spurned the British Government to act.

UNRWA was first set up following the Arab-Israeli conflict; they were established by United Nations General Assembly Resolution 302, in December of 1949. The mandate of UNRWA was to provide assistance to education, health care, camp infrastructure and community support for the refugees of the conflict, and was later expanded to include those displaced in the Six Day War of 1967.

Whilst UNRWA’s mandate tightened following the Oslo Accords in the early nineties, they now focus mostly on the schooling and education of Palestinian refugees. Their services are available to those eligible of the five million registered refugees in Jordan, Lebanon, Gaza, Syria, and the West Bank (including East Jerusalem), 1.4 million of whom live in 58 camps across the region. UNRWA has around 1,000 installations and 30,000 staff, and they work directly with the Palestinians, and closely to local governmental organizations.

Mitchell stated that Gaza is “currently facing an education emergency, with over 40,000 refugee children unable to go to UNRWA schools.” He added that “Education is a fundamental cornerstone of development, allowing people to lift themselves out of poverty.”

More than half of Gaza’s population is under the age of eighteen, making the need for good education services even more paramount, with UNRWA providing education for over 200,000 children. The British government has pledged £14.6 million, which is projected to be able to secure places for an additional 24,000 pupils, and build twelve new schools.

Whilst the money is much needed, the shortfall faced by UNRWA far exceeds that amount. With a budget of approximately US$1.23 billion, they normally run about 85% of core services, due to a severe monetary shortfall- in 2009 they only received US$948 billion out of the required bare minimum of US$1.2 billion, resulting in a steady decline of services, and nearly every UN run school working at double capacity. In 1975 the average annual expenditure per refugee was around US$200, that amount today is now $110.

Of the budget, roughly half is allocated for education, with one-fifth going towards health services, and the rest to various other projects. This means tens of thousands have no access to the free UNRWA education, and thousands have to rotate or share their use of the classroom, and an estimated fifteen hundred children are being taught in shipping containers.

On their visit, the DFID delegation met with Palestinian President Mahmoud Abbas, Prime Minister Salam Fayyad, and Israeli Minister Benny Begin. They discussed the current political situation and the siege of the Gaza strip, with Mitchell addressing the urgent need for increased access and movement of goods and people into and out of Gaza, to foster trade and economic development for the costal enclave.

The Palestinian refugees are the only group of displaced people who have a UN body specifically targeting them, and whilst UNRWA was initially set up as a temporary body, its mandate has been renewed numerous times, with the current expiry date set in 2014.

Their official website claims that despite the reduction in services, “UNRWA’s commitment to Palestine refugees remains undiminished, and the Agency will continue to serve them pending a just resolution of the question of the Palestine refugees.”

(www.imemc.org / 20.12.2011)

Mansour Calls on Security Council to Act Against Israeli Violations

NEW YORK, December 20, 2011 (WAFA) – Ambassador and Permanent Observer of Palestine at the United Nations, Riyad Mansour, called on the UN Security Council to act against the Israeli violations against Palestinians and hold the Israeli government accountable for its provocative actions.

He explained, in a letter addressed to the Secretary General of the United Nations, Ban Ki Moon, the extremely deteriorating situation in the Palestinian Territory including East Jerusalem, as a result of the illegal and provocative policies adopted by the Israeli government and settlers.

He focused on the settlers’ attacks against Palestinians, their properties and holy places and called on the international community to stop this violent and illegal campaign launched by settlers and their government.

He affirmed that the international community’s silence over the Israeli crimes and Israel’s rejection of submitting to law will lead to major failure in efforts to revive the peace process and achieve a two-state solution.

(mideastnews-danmike.blogspot.com / 20.12.2011)

Israeli Soldiers Arrest Four Palestinians from Nablus

NABLUS, December 20, 2011 (WAFA) – Israeli soldiers Tuesday arrested four Palestinians from the city of Nablus, north of the West Bank, according to local sources.

Witnesses told WAFA that Israeli forces at dawn raided Doma village, south of Nablus, ransacked Palestinians’ houses and arrested two siblings.

Israeli soldiers also handcuffed two Palestinians and forced them to undress at Huwwarah checkpoint, south of Nablus.

(english.wafa.ps / 20.12.2011)

Diplomat wife dies after forced to renew Jerusalem permit 18Dec11

Ma’an News Agency  –  17 December 2011

LONDON (Ma’an) — Israeli authorities forced the wife of the Palestinian ambassador to the UK to return to Jerusalem to renew her residency status during chemotherapy treatment, British media reported on Friday.

Samira Hassassian died in August aged 57 after she contracted a virus on the return flight to the UK in the midst of cancer treatment, her husband Manuel told The Guardian newspaper.

A spokesperson at the Israeli embassy in London denied Samira had been refused an extension of her residency, telling the paper “If there is a health issue there is no question that she would have had to travel.”

Palestinians have to renew their residency status in East Jerusalem with the Israeli authorities every two years. Hassassian said his wife, who was a US-trained chemist and lecturer in business studies, was determined not to lose her right to live in East Jerusalem.

OBITUARY  –  The Guardian

by Michel Massih

My friend Samira Hassassian, who has died of cancer aged 57, worked tirelessly for the rights of the Palestinian people and supported several charities connected with the art world, in particular the El-Shashat charity devoted to promoting Palestinian films. She shared these passions with her husband, Manuel Hassassian, who became the Palestinian ambassador to the UK in 2005.

Samira was not a simple diplomatic “adjunct”. She sought to promote trade by encouraging Palestinian craftsmen to come to Britain to exhibit their products. She was a patron of Medical Aid for Palestinians and she worked hard to bring medical assistance to thousands.

Samira was born in Beit Jala, a town near Bethlehem. Her family were part of the Christian Palestinian community there. Her father, Jabra Araj, was an ear, nose and throat specialist. Her mother, Lydia, founded a number of charities. Samira read chemistry at Birzeit University, near Ramallah, then continued her education at the American University of Beirut. From there she went to Toledo University, Ohio, to continue her studies in chemistry. She combined her BSc in chemistry with an MBA in business studies. On completion of her studies she worked at Procter & Gamble. She later lectured on business studies at Bethlehem University.

At Birzeit University, Samira met Manuel. They married in 1977. Their house in Chiswick, west London, became an essential port of call for members of the British-Palestinian community. Samira was a great listener and supported the youth of the community in practical ways. She was a passionate chef. Nothing gave her greater pleasure than to cook for family and friends. In her spare time she wrote poetry in Arabic. The essence of one of her poems was a longing to be reunited with the soil of Palestine. She longed to return and sit in the shade of the olive trees of her beloved Beit Jala, where she asked to be buried.

Samira is survived by Manuel and three children, Nadine, Tamar and Sarkis.

(www.australiansforpalestine.net / 20.12.2011)