De Islam Veroordeelt het Terrorisme

En Allah roept naar het tehuis van Vrede en leidt wie Hij wil naar het rechte pad
(Koran, 10: 25)

OORLOG IN DE KORAN

Volgens de Koran vertegenwoordigt “oorlog” een “ongewenste verplichting”, die onder strikte naleving van bepaalde humanitaire en morele voorschriften uitgevoerd moet worden en er geen oorlog gevoerd mag worden, tenzij het absoluut onvermijdelijk is.

In een vers wordt uitgelegd dat het de ongelovigen zijn die beginnen met oorlog en dat God oorlogen niet goedkeurt:

Telkens wanneer zij het oorlogsvuur ontsteken, dooft Allah het en zij pogen wanorde te scheppen op aarde en Allah heeft de onruststokers niet lief. (Koran 5: 64)

Ingeval van een conflict moeten de gelovigen wachten met strijden totdat het noodzakelijk wordt. Het is de gelovigen alleen dan toegestaan om te vechten, wanneer de andere partij aanvalt en er geen andere alternatief dan oorlog overblijft:

Maar als zij ophouden, dan is Allah zeker Vergevensgezind, Genadevol. (Koran 2: 192)


Een blik van de huidige Medina, de stad waarnaar de Profeet Mohammed en de moslims emigreerden en hun eigen maatschappijorde vestigden.

Een nadere beschouwing van het leven van de Profeet Mohammed (vzmh) laat zien dat oorlog een middel was dat gebruikt werd voor defensieve doeleinden in onvermijdbare situaties.

De Koran werd door God aan de Profeet Mohammed (vzmh) geopenbaard gedurende een tijdsbestek van 23 jaar. Gedurende de eerste 13 jaar van deze periode, leefden moslims als een minderheid in een heidense maatschappelijke orde in Mekka en werden vaak onderdrukt. Veel moslims werden lastig gevallen, mishandeld, gefolterd, en zelfs vermoord en hun huizen en bezittingen geplunderd. Ondanks dit leidden de moslims hun leven zonder enige vorm van geweld aan te grijpen en riepen de heidenen op tot vrede.

Toen de onderdrukking van de heidenen ondragelijk werd voor de moslims, emigreerden de moslims naar de stad Yathrib, dat later Medina genoemd zou worden, waar ze hun eigen maatschappelijke orde in een (meer) vrijere en vriendelijkere omgeving konden vestigen. Zelfs nadat ze hun eigen politieke systeem hadden gevestigd, liet men zich niet meeslepen om de wapens tegen de agressieve heidenen uit Mekka op te nemen. Alleen na de volgende openbaring gaf de Profeet (vzmh) het bevel zich voor te bereiden tot oorlog:

Toestemming om te vechten is gegeven aan degenen tegen wie gevochten wordt, omdat hun onrecht is aangedaan, voorzeker Allah heeft de macht hen bij te staan. Degenen die ten onrechte uit hun huizen werden verdreven alleen omdat zij zeiden: “Onze Heer is Allah.” … (Koran 22: 39-40)

Kortom, het werd de moslims toegestaan om oorlog te voeren, omdat ze onderdrukt werden en bloot stonden aan gewelddadigheden. God stond oorlog dus alleen toe voor defensieve doeleinden. In andere verzen worden moslims gewaarschuwd voor onnodige provocatie of gewelddadigheden:

En strijdt voor de zaak van Allah tegen degenen, die tegen u strijden, maar overschrijdt de grens niet. Voorzeker, Allah heeft de overtreders niet lief. (Koran 2: 190)

Na de openbaring van deze verzen, vonden verscheidene oorlogen tussen moslims en heidense Arabieren plaats. In geen van deze oorlogen waren de moslims de opstokende partij. Verder vestigde de Profeet Mohammed (vzmh) een veilige en vredesvolle sociale omgeving voor de moslims en heidenen door het vredespact van Hadaybija te aanvaarden, waarin aan de meeste eisen van de heidenen werd toegegeven. Wederom waren het de heidenen, die de afspraken van het pact schonden en zo ontstond er weer een nieuwe situatie voor een oorlog. Doordat het aantal van de moslims fors was gestegen, beschikten de moslims over een strijdmacht die te sterk zou zijn tegen de heidense Arabieren. Maar toch veroverde de Profeet Mohammed (vzmh) Mekka zonder bloedvergieten. Als hij het zou wensen had Mohammed (vzmh) wraak kunnen nemen op de heidense leiders in de stad, maar in plaats daarvan pijnigde hij géén van hen, vergaf hen en behandelde hij ze met uiterste tolerantie. John Esposito, die in het Westen als een expert op het gebied van de Islam geldt, gaf bericht van de situatie in de volgende woorden: ” De Profeet (vzmh) vermeed wraak en plundering na zijn zege en accepteerde een akkoord, dat aan zijn vroegere vijanden amnestie verleende, in plaats van het zwaard tegen ze te verheffen.” 2

Heidenen, die zich later uit vrije wil tot de Islam bekeerden, konden er niet omheen, het edele karakter van de Profeet (vzmh) te bewonderen.

Niet alleen tijdens de verovering van Mekka, maar ook in het verloop van alle veldslagen en veroveringen, die plaatsvonden in de tijd van de Profeet Mohammed (vzmh), werden de rechten van onschuldige en weerloze mensen zorgvuldig beschermd. De Profeet Mohammed (vzmh) herinnerde de gelovigen vele malen aan deze verplichting en door zijn eigen gedrag werd hij een goed voorbeeld voor anderen. Hij zei de volgende woorden aan de gelovigen die naar het front gingen: “Wanneer men op oorlogspad gaat, ga dan met de religie van God. Raak de ouderen, vrouwen en kinderen niet aan. Verlicht altijd hun toestand en wees vriendelijk voor hen. God heeft hen lief die oprecht zijn.”3 De boodschapper van God legde ook de gedragsregels vast die de moslims moeten volgen, zelfs wanneer ze zich midden in het gevecht bevinden:

Doodt geen kinderen. Vermijdt het, om mensen in de kerken aan te tasten die zich hebben toegewijd aan bidden! Doodt nooit vrouwen en ouderen. Steek de bomen niet in de brand en hak ze ook niet om. Verwoest nooit huizen!4

De islamitische grondbeginselen, die God in de Koran heeft beschreven, verklaren deze vredesvolle en gematigde politiek van de Profeet Mohammed (vzmh). God beveelt de gelovigen in de Koran, om de mensen die geen moslim zijn vriendelijk en rechtvaardig te behandelen:

Allah verbiedt u niet, degenen, die niet tegen u om de godsdienst hebben gevochten, noch u uit uw huizen hebben verdreven, goed te doen en rechtvaardig te behandelen; voorzeker, Allah heeft de rechtvaardigen lief. Maar Allah verbiedt u vriendschap te betonen aan degenen, die tegen u gevochten hebben om de godsdienst, en die u uit uw huizen hebben verdreven of geholpen hebben u te verdrijven…(Koran 60: 8-9)

De bovenstaande verzen omvat de houding die moslims tegenover niet-moslims zouden moeten aannemen: een moslim zou iedere niet-moslim vriendelijk moeten behandelen. Men zou alleen moeten vermeiden om vriendschap te sluiten met degenen die de Islam vijandig zijn gesteld. In een toestand waar deze vijandigheid tot uiting komt met gewelddadige aanvallen tegen moslims, en deze de oorzaak zijn tot een oorlog, dan zouden de moslims toch weer op een rechtvaardige wijze moeten reageren door rekening te houden met de menselijke dimensies van de situatie. Alle vormen van barbaarsheid, onnodige gewelddadigheden en onrechtmatige agressie zijn verboden in de Islam. In een ander vers waarschuwt God de moslims hiervoor en spoort hen aan om niet onrechtmatig te handelen indien men een volk haat (vijandig is gesteld):

O, gij die gelooft, wees oprecht voor Allah en getuig met rechtvaardigheid. En laat de vijandschap van een volk u niet aansporen, om onrechtvaardig te handelen. Wees rechtvaardig, dat is dichter bij de vroomheid en vreest Allah, voorzeker, Allah is op de hoogte van hetgeen gij doet. (Koran 5: 8)

De betekenis van het begrip “Djihad”

Het woord Djihad staat letterlijk in de Koran voor persoonlijke inspanning tegen slechte gedachten, verlangens en driften. Wat dus niets te maken heeft met de zogenaamde Heilige Oorlog. Djihad is meer een mentale strijd tegen het kwaad.

In de Islam zijn er twee soorten Djihads te onderscheiden: de kleine en de grote djihad.

De kleine Djihad is de naar buiten gerichte strijd. Dit mag echter geen aanval zijn, maar dus alleen verdediging. Tevens mag het ook niet als een middel tot “dwangbekering” gevoerd worden. Dit wordt in het volgende vers uitgelegd:

Er is geen dwang in de godsdienst. Voorzeker, het juiste pad is van dwaling onderscheiden; derhalve, hij die de duivel verloochent en in Allah gelooft, heeft een sterk houvast gegrepen, dat onbreekbaar is. Allah is Alhorend, Alwetend. (Koran 2: 256)

De aanslagen zijn in geen geval met de Islam te verenigen.

De grote Djihad is de strijd van een individu tegen zijn slechte gedachten, verlangens, zwakten, eigenschappen en driften.

In de beeldvorming door de pers worden moslims helaas over één kam geschoren. Gewoonten en rituelen worden uitvergroot, verkeerd uitgelegd en belachelijk gemaakt. Zo ontstaat er een kloof tussen bevolkingsgroepen, terwijl het helemaal niet zo hoeft te zijn.

Zelfmoord is verboden in de Islam


Een van de voornaamste doelen van de terroristische bomaanslagen, brandstichtingen en andere van zulke afschuwelijke handelingen is om angst, bezorgdheid, onveiligheid en paniek te veroorzaken bij mensen.

Een ander belangrijke bijzaak dat is ontstaan als gevolg van de laatste terroristische aanslagen tegen de Verenigde Staten zijn de zelfmoordaanslagen. Sommige mensen die niet goed geïnformeerd zijn over de Islam, hebben volledig onjuiste verklaringen gegeven, dat deze religie van vrede zelfmoordaanslagen toestaat, terwijl zelfmoord en het doden van andere mensen ten strengste verboden is. Met de woorden “En pleeg geen zelfmoord…” (Koran 4:29) heeft God zelfmoord tot een zonde verklaard. In de Islam is het verboden voor iemand om zelfmoord te plegen om wat voor reden dan ook.

De Profeet (vzmh) maakte kenbaar dat zelfmoord een zonde is. Volgens een overlevering van Abu Huraira, verklaarde hij dat ieder die zichzelf van het leven berooft in de hel terechtkomt, waar hij in eeuwigheid verblijven zal.5

Hier komt duidelijk naar voren, dat zelfmoord en dus ook het plegen van zelfmoordaanslagen, die de dood van duizenden onschuldige mensen veroorzaken, een totale schending van het islamitische moreel is. God zegt in de Koran dat het een zonde is om zelf je eigen leven te beëindigen. Om deze reden is het onmogelijk voor iemand die in God gelooft en volgens de Koran leeft, om zoiets te doen. Alleen mensen die een volkomen verkeerd denkbeeld over de religie hebben, die geen besef hebben van het ware moreel van de Koran, falen bij het gebruik van hun verstand en geweten, die onder invloed staan van atheïstische ideologieën en mensen die zijn gehersenspoeld met emoties van haat en wraak kunnen zoiets gruwelijks doen. Iedereen moet zulke acties belemmeren.

En pleeg geen zelfmoord. Voorzeker, Allah is u Genadevol.
(Koran 4:29)

Barmhartigheid, tolerantie en menselijkheid in de geschiedenis van de Islam

Als we de feiten samenvatten die we tot nu toe hebben gezien, kunnen we zeggen dat de politieke doctrine van de Islam ( met andere woorden, de islamitische regels en principes) uiterst gematigd en vredelievend is. Deze waarheid is geaccepteerd door vele niet-islamitische historici en theologen. Eén van deze is de historici Karen Armstrong, een voormalig non en expert van de geschiedenis van het Midden-Oosten. In haar boek “Holy War” (Heilige Oorlog), waarin ze de historie van de drie monotheïstisch religiën onderzoekt, geeft ze de volgende commentaar:

.Het woord “Islam” komt van hetzelfde Arabische stamwoord als van het woord “vrede” en de Koran veroordeelt oorlog als een abnormale situatie dat tegen de wil van God indruist.Islam rechtvaardigt geen totale destructieve oorlog met het doel om de vijand uit te roeien.Islam erkent dat oorlog onvermijdbaar is en in sommige situaties zelfs als een positieve plicht om onderdrukking en lijden te beëindigen. De Koran onderwijst dat oorlog begrensd moet zijn en zoveel mogelijk in een humanitaire wijze gevoerd moet worden. Mohammed (vzmh) moest niet alleen tegen de Mekkanen strijden, maar ook tegen joodse stammen in de omgeving en tegen christelijke stammen in Syrië, die een offensief tegen Mohammed (vzmh) hadden gepland in samenwerking met de joden. Toch leidde dit niet tot de veroordeling van de “mensen van het Boek” (joden en christenen) door Mohammed (vzmh) . Zijn moslims waren genoodzaakt om zichzelf te verdedigen, maar zij waren niet bezig om een “heilige oorlog” tegen de religies van hun vijanden te voeren. Wanneer Mohammed (vzmh) een islamitisch leger onder leiding van de vrijgelaten slaaf Zaid tegen de christenen zond, vertelde hij hen om dapper maar humanitair te strijden voor de zaak van God. Ze mochten priesters, monniken en nonnen niet molesteren, maar ook niet de zwakkeren en hulpeloze mensen die niet in staat waren om te vechten. Er mocht geen bloedbad plaatsvinden, noch mocht men een enkele boom neerhalen of een gebouw afbreken.6

Na de dood van de Profeet (vzmh) letten ook de kaliefen, die na hem regeerden, uiterst zorgvuldig op het naleven van gerechtigheid. In de veroverde landen konden zowel de inheemse bewoners als de nieuwkomelingen hun leven in vrede en veiligheid leven. Abu Bakr, de eerste kalief, verlangde van zijn mensen een rechtvaardig en tolerant gedrag in het bestuur van deze landen, in overeenstemming met de waarden van de Koran. Abu Bakr gaf het volgende bevel aan zijn leger voor de eerste Syrische veldslag:

Stop, o mensen zodat ik u 10 regels kan geven die jullie in het hart moet nemen: oefent geen verraad, en wijk niet af van het rechte pad. Verwondt en doodt geen kinderen, ouderen en vrouwen. Verwoest geen dadelbomen, en steek het ook niet in brand en hak geen vruchtvolle bomen neer. Doodt ook geen vee, kuddes of kamelen. U kunt mensen treffen die hun hele leven toegewijd hebben aan kloosterdiensten. Laat ze met rust en doorgaan met deze diensten. U kunt mensen treffen die u een maaltijd aanbieden kunnen. U kunt daarvan eten; maar vergeet niet de naam van God te herdenken.7


In de landen rondom Jeruzalem, die voor lange tijd onder het bewind stonden van moslims, is vrede en tolerantie nu vervangen door oorlog en conflicten.

Omar ibn al-Khattab, die Abu Bakr opvolgde, was beroemd voor de manier waarop hij gerechtigheid uitoefende en de verdragen die hij maakte met de inheemse bewoners van de veroverde landen. Elk van deze verdragen bewees een voorbeeld te zijn van tolerantie en rechtvaardigheid. Bijvoorbeeld in zijn verklaring, waarin hij bescherming bood aan christenen in Jeruzalem en Lod, verzekerde hij dat de kerken niet verwoest zouden worden en garandeerde hij dat moslims in de kerk geen gebeden zouden verrichten. Omar verleende dezelfde rechten aan de christenen in Bethlehem. Tijdens de verovering van Medain, gaf het beschermingsverdrag, dat aan de Nestoriaanse Patriarch Yeshuyab III was gegeven, wederom de garantie dat kerken niet verwoest zouden worden en dat geen enkel gebouw geconverteerd zou worden tot een huis of een moskee. De brief die na de verovering door de Patriarch aan de bisschop van Fars (Perzië) was geschreven, is uiterst betekenisvol, het getuigt namelijk van de tolerantie en barmhartigheid door de moslims voor de mensen van het Boek, met de woorden van een christen:

De Arabieren aan wie God in deze tijd de heerschappij van de wereld had gegeven…zij hebben ons nooit lastiggevallen. Zij respecteerden ons, onze godsdienst, priesters, heiligen, kerken en kloosters.8

Dit zijn allemaal zeer duidelijke voorbeelden die getuigen van de rechtvaardigheid en tolerantie van de ware gelovigen. In het volgende vers beveelt God het volgende:

Voorwaar, Allah gebiedt u het u toevertrouwde over te geven aan hen die er recht op hebben en dat, wanneer gij tussen mensen richt, gij rechtvaardig handelt. En waarlijk, voortreffelijk is datgene, waartoe Allah u maant. Voorzeker, Allah is de Alhorende, de Alziende.(Koran, 4: 58)

Canon Taylor, één van de missie leiders van de Anglicaanse Kerk, betuigt van de schoonheid die het islamitische moreel heeft geopenbaard, in één van zijn speeches als volgt:

Het (islam) bracht de fundamentele Dogma’s van de religie – de eenheid en grootheid van God, dat Hij genadevol en rechtvaardig is, dat Hij gehoorzaamheid aan Zijn wil, trouw en geloof eist. Het kondigde de verantwoordelijkheid van de mens, een leven na de dood, een Dag des Oordeels, en een zware afstraffing die de boosdoeners ten deel valt; Hij verkondigde de gebedsplicht, armenbelasting, het vasten en grootmoedigheid. Het schafte de kunstelijke deugden af, de religieuze oplichterij en dwaasheden, perverse immorele gevoelens en de verbale beloften van theologische disputanten die zich niet hielden aan hun woord. Het gaf hoop aan de slaven, broederschap aan de mensheid, en erkenning aan de fundamentele feiten van de oorsprong van de menselijke aard.9

De valse bewering, dat de bewoners van de veroverde landen onder bedreiging tot de Islam waren toegetreden, wordt ook door de westerse onderzoekers tegengesproken en de rechtvaardige en tolerante houding van de moslims bevestigd. L. Browne, een westerse onderzoeker, getuigt van deze situatie als volgt:

Deze welbekende feiten beroven overigens het in de christelijke geschriften zo wijdverspreide gerucht, dat de moslims, waarheen ze ook (naar) gingen, met het zwaard de mensen dwongen de Islam aan te nemen.10


Vele kruisvaarders waren zelfs op het slagveld verbaasd van de rechtvaardige, tolerante en barmhartige houding van de moslims. Later drukten ze hun bewondering in hun memoires uit. In de bovenstaande plaatje zien we de tweede Kruisvaart door Louis VII.

In zijn boek “the prospects of Islam”, verklaart Browne verder dat achter het ware motief voor de veroveringen van de moslims, de broederschap van de Islam ligt. De ruime meerderheid van de islamitische heersers, die in de loop van de geschiedenis de islamitische landen regeerden, behandelden de leden van de andere religies doorgaans met uiterste tolerantie en respect. Binnen de grenzen van alle islamitische staten, leefden zowel de joden als de christenen in veiligheid en vrijheid.

John L. Esposito, professor in religiewetenschappen en internationale betrekkingen aan de Universiteit van Georgetown, beschrijft hoe joden en christenen, die onder het regeerschap van de islamitische staten kwamen, ruime tolerantie ervoeren:

Islamitische legers hebben bewezen formidabele veroveraars en effectieve heersers te zijn, ze waren eerder bouwers dan vernielers. Ze vervingen de inheemse heersers en legers van de veroverde gebieden, maar ze hielden veel van hun overheid en cultuur in stand. Voor vele mensen in de veroverde gebieden, was het niet meer dan een verwisseling van leiders, een leider die nu vrede bracht aan de mensen, die door verliezen aan levens en zware belastingen uit de lange jaren van de Byzantijnse-Perzische oorlog gedemoraliseerd en ontevreden waren geworden. Lokale gemeenschappen waren vrij om verder te gaan in hun eigen manier van leven in interne, binnenlandse zaken. In vele opzichten vonden de lokale populaties het islamitische heerschap flexibeler en toleranter dan die van Byzantium en Perzië. Religieuze gemeenschappen waren vrij hun geloof uit te oefenen- ze konden hun eigen rituelen en wetten naleven en hun religieuze leiders konden hun autoriteit in sociale domeinen handhaven zoals bij het huwelijk, echtscheiding en erfenis. In ruil daarvoor moesten ze een vorm van belasting betalen (jiyza), dat hen bescherming aanbood tegen aanvallen van buitenaf en ze waren hiermee tevens vrijgesteld van militaire plicht. Hierdoor noemde men ze “de beschermden” (dhimmmi). In de praktijk betekende dit dikwijls lagere belastingen, grotere lokale autonomie, heerschap door andere Semieten met wie nadere linguïstische en culturele verbondenheid bestond dan de Greko-Romeinse eliten van Byzantium, en grotere religieuze vrijheid voor joden en de inheemse christelijken. De meeste van de christelijke kerken, zoals die van de Nestoriaanse, Monophysitaanse, Jakobse, en de Coptse werden vervolgd door de orthodoxe kerk wegens ketterij en schismatiek. Om deze redenen steunden sommige joodse en christelijke gemeenschappen de oprukkende legers, ze beschouwden hen als minder onderdrukkend dan hun imperiale heersers. In vele manieren brachten de veroveringen een “Pax Islamica” aan de bezette gebieden.11


Het islamitische bewind in Spanje kwam tot een einde in 1492, toen Granada veroverd werd door de legers van Koning Ferdinand en Koningin Isabella. In het plaatje hierboven is de capitulatie van de stad te zien.

Een ander “Pax Islamica” die door de Islam was gebracht, was ten gunste van de vrouwen, een deel van de maatschappij die enorm was mishandeld in de pre-islamitische tijden. Professor Bernard Lewis, die bekend staat als één van de grootste Westerse experts van het Midden-Oosten, geeft het volgende commentaar:

In het algemeen bracht de aanvang van de Islam een enorme verbetering in de positie van de vrouwen in het oude Arabië, die hen bezittingen en andere rechten bracht, en bescherming aanbood tegen slechte behandelingen van hun mannen of bezitters. Het vermoorden van vrouwelijke nieuwgeborenen, dat gebruikelijk was in het oude Arabië, werd door de Islam verboden.Maar de positie van de vrouw bleef schamel, en verslechterde,doordat de aanvankelijke boodschap van de Islam zijn drang verloor en onder invloed van al bestaande instellingen en gebruiken werd aangepast.12

De heerschappij van de Selcuk Turken en dat van het Ottomaanse Rijk was ook gekenmerkt door de rechtvaardige tolerante instelling van de Islam. In zijn boek, “The Spread of Islam in the World”, verklaart Sir Thomas Arnold, de Britse onderzoeker, de bereidheid van de christenen om onder het bewind van Selcuk te komen vanwege deze instelling:

Hetzelfde gevoel van veiligheid van het religieuze leven onder de islamitische heerschappij bewoog vele christenen van Klein-Azië (Anatolië), de Selcukse Turken als bevrijders hartelijk te verwelkomen.Tijdens de heerschappij van Michael VIII. (1261-1282), werden de Turken vaak uitgenodigd om bezit te nemen van de kleinere steden in het binnenste van Klein-Azië, zodat ze van de tirannie van het Byzantijnse Rijk gered konden worden; en zowel de rijken als de armen emigreerden vaak naar Turkse gebieden.13


Sultan Beyazid II was een toegewijde moslim. Hij verwelkomde de joden die van de Spaanse vervolging vluchtten, en waarborgde hun absolute religievrijheid.

 

Malik Shah, de heerser van de islamitische Selcukse Rijk tijdens de piek van haar periode, benaderde de bewoners van de veroverde landen met ruime tolerantie en barmhartigheid en werd dus zo herinnerd met respect en liefde. Zijn tolerantie veroverde ook de harten van de mensen van het Boek. Om deze reden kwamen de steden in vrije wil onder Malik Shahs bewind, wat ongeëvenaard is in de geschiedenis. Sir Thomas Arnolds spreekt ook over Odo de Diogilo, een monnik uit St. Denis, die deelnam aan de tweede Kruistocht als de persoonlijke veldprediker van Louis VII, en in zijn memoires over de gerechtigheid (wees), die door de moslims werd uitgeoefend, ongeacht iemands godsdienst:

De situatie van de overlevenden zou volkomen hopeloos zijn geweest, als de aanblik van hun ellende niet de harten van de Mohammedanen (moslims) tot medelijden zou bewegen. Ze verpleegden de zieken en verlichtten de armen en hongerigen met grootmoedige vriendelijkheid. Sommigen kochten zelfs het Franse geld, dat de Grieken van de pelgrims onder dwang en zwendel hadden verkregen en verdeelden het grootmoedig onder de behoeftigen. Het kontrast tussen de vriendelijke behandeling, die de pelgrims van de ongelovigen kregen en de wreedheden van hun medegelovigen, de Grieken die hun dwangarbeid oplegden, sloegen en van het weinige dat ze nog hadden beroofden, was zo groot dat ze vrijwillig het geloof van hun bevrijders aannamen. Zoals de oude kroniek (Odo de Diogilo) zegt: terwijl ze hun geloofsbroeders verliezen, die zo wreed tegen hen waren, vonden ze veiligheid bij de ongelovigen, die genade voor hen hadden en zoals we al hoorden sloten meer dan drieduizend zich bij de Turken aan toen ze wegtrokken.”14


De verovering van Istanbul door Sultan Mehmet de Veroveraar betekende vrijheid voor joden en heterodoxe christenen die eeuwenlang door Romeinse en Byzantijnse heersers werden onderdrukt.

Deze verklaringen door historici maken duidelijk, dat de islamitische heersers, die het ware moreel van de Islam verinnerlijkt hadden, altijd met tolerantie, barmhartigheid en rechtvaardigheid regeerden. Zo is ook de geschiedenis van de Ottomaanse Rijk, die eeuwenlang landen over drie continenten regeerden, rijk aan voorbeelden van tolerantie.

De manier waarop de joden zich vestigden in Ottomaanse landen tijdens de tijd van Sultan Beyazid II, na blootgesteld te zijn aan de bloedbaden en verbanningen in de katholieke koninkrijken van Spanje en Portugal, is een goed voorbeeld van de tolerantie die het islamitische moreel met zich mee brengt. De katholieke monarchen, die in die tijd over het grootste deel van Spanje heersten, onderdrukten de joden, die daarvoor in vrede onder de islamitische heerschappij in Andalusië hadden geleefd. Terwijl de moslims, christenen en joden in Andalusië in vrede met elkaar konden leven, probeerden de katholieke monarchen, heel het land tot het christelijke geloof (toe) te dwingen, waarbij ze de moslims de oorlog verklaarden en de joden onderdrukten. Als gevolg hiervan werd de laatste islamitische heerser, die in de Zuid-Spaanse provincie Grenada was gevestigd, in 1492 uitgeschakeld. Moslims werden gruwelijk afgeslacht en de joden die zich verzetten hun geloof te veranderen werden verbannen.

Een groep van deze joden zonder vaderland, zocht toevlucht in de Ottomaanse Rijk, en het Rijk stond hun dat toe. De Ottomaanse vloot, onder het bevel van Kemal Reis, bracht de verbannen joden en de moslims die de slachtpartij hadden overleefd, naar het land van de Ottomanen..


Sultan Mehmet de Veroveraar verleende de Patriarch vele concessies. Onder de Turkse heerschappij genoot de Patriarch voor de eerste keer in de geschiedenis volledige autonomie. In de afbeelding zien we Sultan Mehmet de Veroveraar die de Patriarch ontvangt.

Sultan Beyazid II is de geschiedenis ingegaan als een godvrezende heerser in het Ottomaanse Rijk, en in de lente van 1492 vestigde hij de joden aan wie onrecht was aangedaan en waren verbannen, in verschillende gebieden van zijn rijk, rond Edirne en Thessalonica in het hedendaagse Griekenland. Meer dan de 25,000 Turkse joden die in Turkije leven, zijn de nakomelingen van die Spaanse joden. Ze hebben hun religie en gebruiken, die ze 500 jaar geleden uit Spanje meebrachten, aangepast aan de condities in Turkije en leven nog steeds comfortabel met hun eigen scholen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen, culturele verenigingen en dagbladen. In dezelfde manier zoals ze handelaren en zakenlui hebben, hebben ze ook vertegenwoordigers in verschillende beroepen, van technische vakgebieden tot aan de reclame, waarbij hun intellectuele kring bestaande uit wetenschappers en artiesten alsmaar groter wordt. Terwijl joodse gemeenschapen in vele landen in Europa bloot stonden aan antisemitische racistische aanvallen, leefden de joden in Turkije in vrede en veiligheid. Dit voorbeeld alleen is al genoeg, van de tolerantie en het ervaren van gerechtigheid dat de Islam met zich meebrengt.

De barmhartigheid en tolerantie die door Sultan Beyazid II uitgeoefend werd, was geldig voor alle Ottomaanse sultans. Toen Sultan Mehmet de Veroveraar, Constantinopel veroverde, stond hij toe dat de christenen en joden daar vrij mochten leven. Andre Miquel, die door zijn waardevolle werken bekend is, waarin hij de rechtvaardige en tolerante praktijken van de moslims en over de islamitische wereld schrijft, zegt het volgende:

Christenen leefden onder een zeer goed bestuurde overheid, die zij onmogelijk konden vinden in de tijd van Byzantium en Latijnse tijdperken. Ze zijn nooit onderwerp geweest van (een) systematische onderdrukking. In tegenstelling, het rijk, en met name Constantinopel werd een schuilplaats voor de Spaanse joden die waren gemarteld. Mensen werden nooit met geweld bekeerd; de voortgang van de islamitisering was een resultaat van een sociaal proces.(Geen enkele plek was onderhevig aan het sociale proces van “islamitisering”).15

Zoals uit deze feiten duidelijk naar voren komt, waren de moslims nooit in de geschiedenis onderdrukkend geweest. Integendeel, ze brachten vrede en veiligheid naar alle naties en religies waar ze heen gingen. Ze hebben zich aan Gods gebod gehouden, dat in het volgende vers naar voren komt: en aanbidt Allah en vereenzelvigt niets met Hem en bewijst vriendelijkheid aan ouders, verwanten, wezen, de behoeftigen en aan de nabuur, die een vreemdeling is en de nabuur die een bloedverwant is en aan de metgezel, de reiziger en aan degenen die onder uw macht zijn. Voorzeker, Allah heeft de pochers en de opscheppers niet lief. (Koran 4: 36) en behandelden iedereen goed.

Kortom vriendschap, broederschap, vrede en liefde zijn de fundamenten van het moreel in de Koran, en het is het doel van de moslims om deze verheven deugden te realiseren en in de wereld te verbreiden. (Voor nadere informatie, zie Harun Yahya’s “Rechtvaardigheid en Tolerantie in de Koran”)


Zij die geloven en hun geloof niet met onrechtvaardigheid vermengen – dezen zijn het, die vrede zullen hebben want zij zijn recht geleid.
(Koran 6:82)

(www.harunyahya.com / 20.03.2011)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *